Ga naar: navigatie, zoeken

Spanje

Spanje, koninkrijk in Zuidwest-Europa op het Iberisch schiereiland. Mede door de aanwezigheid van goud, zilver en koper in de bodem van Zuid-Spanje werd het schiereiland al vroeg een belangrijk handelsknooppunt tussen de Oostkust van de Atlantische Oceaan en het Middellandse-Zeegebied en werden er handelskolonies gesticht door Griekse Phocaeërs en Rhodiërs en de Syrische Feniciërs.

De laatsten veroverden tegen het einde van de 5e eeuw v.Chr. vanuit Carthago een groot gedeelte van Spanje, waar zij ook Kelten aantroffen. Sinds midden 4e eeuw tot eind 3e eeuw sloegen de Phocaeërs in Emporiai (Ampurias) zilveren drachmen en onderdelen, omstreeks 250 v.Chr. sloegen de Rhodiërs te Rhoda drachmen, terwijl de Carthagers (Puniërs) vanaf midden 3e eeuw te Gades (Cadiz) en te Ebusus (Ibiza) onderdelen van drachmen en bronzen muntjes van verschillende afmetingen vervaardigden, waarvan de waarden niet zijn overgeleverd.

Toen Hannibal in 202 v.Chr. werd verslagen en er een voorlopig einde kwam aan de machtsstrijd om Spanje tussen Carthagers (Puniërs) en Romeinen, werd het oostelijke deel van Spanje een Romeinse provincie en groeide de Romeinse invloed in het binnenland. De Romeinen stonden de Iberische stammen toe eigen munten met Iberische opschriften te slaan. Dit resulteerde in een zeer omvangrijke zgn. Keltiberische muntslag, waaraan bij de hervorming binnen het Romeinse Rijk ca. 50 v.Chr. nagenoeg een einde kwam. Gedurende de burgeroorlogen in Spanje in de 1e eeuw v.Chr. worden in enkele lokale muntplaatsen opnieuw bronzen munten geslagen, doch sinds Augustus vond de muntslag op last van het Romeinse gezag plaats en gold het Romeinse muntsysteem; Romeinse muntwezen.

In 415 veroverde de Visigotische koning Athaulf Catalonië, gevolgd door andere Gotische veroveraars, die in de volgende vijftig jaren bijna het gehele schiereiland overmeesterden. De Visigoten namen de muntslag van de Romeinen over, imiteerden hun munten en sloegen vooral gouden tremisses (tremissis). Onderlinge conflicten van de Visigoten leidden in 711 tot het inroepen van militaire hulp uit Noord-Afrika, waarbij de hulptroepen zich vrijwel zonder uitzondering gedroegen als veroveraars. In korte tijd werd Spanje door Arabieren bezet en werden de christenstaatjes naar het noorden teruggedrongen (Omajjaden). Hier werden León, Navarra en later ook Castilië en Aragón als onafhankelijke staten gevormd, van waaruit de zgn. Reconquista (= herovering) van geheel Spanje plaatsvond. In de periode ca. 1250-1492 werd de Reconquista voltooid, waarbij met name Ferdinand III (1217-1252), die Castilië en León in één koninkrijk verenigde, een grote rol speelde.

In deze periode zijn er in Spanje twee muntsystemen, het Arabische in het zuiden en dat van de christenstaten in het noorden. Het Arabische of Moorse geld bestond uit gouden dinars en zilveren dirhams, waarvan een enkele maal exemplaren in de Nederlanden zijn gevonden. In de christenstaten werden, zoals elders in Europa, zilveren penningen (dineros) en groten (Croats) en gouden guldens (florins, ducados) in omloop gebracht, waarvan de beeldenaars van buitenlandse voorbeelden werden overgenomen. Het huwelijk van Ferdinand II van Aragón met Isabella van Castilië in 1479 was de aanzet tot de vorming van één verenigd Spaans koninkrijk dat het gehele Iberisch schiereiland omvatte, uitgezonderd Portugal, dat eerst in 1580 werd veroverd, maar in 1640 al weer onafhankelijk werd. Aanvankelijk bleef de lokale muntslag van de samenstellende componenten bestaan naast de algemene van het Castiliaanse koninkrijk. Met de sluiting van de Aragonese Munt in 1730 door Philips V kwam aan de lokale muntslag een einde.

Met Ferdinand en Isabella ging de Spaanse munthistorie een geheel nieuwe periode in. De eerste decennia na de ontdekking van Amerika door Columbus werden grote hoeveelheden sinds eeuwen in Amerika opgepot goud naar Castilië vervoerd en voorlopig nog niet zoveel zilver. Omstreeks 1540 kwam echter een stroom zilver uit de door de Spanjaarden in exploitatie genomen zilvermijnen van Mexico en Peru op gang. De massa's zilver die jaarlijks met de Zilvervloot in militair convooi naar Sevilla werden vervoerd, maakten Spanje voor enkele eeuwen tot de voornaamste zilverleverancier van Europa en veroorzaakten een aanzienlijke verschuiving in de waardeverhouding tussen goud en zilver en een algehele stijging van de prijzen.

De vermunting van dit goud en zilver gebeurde aanvankelijk geheel in de Spaanse munthuizen volgens een nieuwe muntwetgeving van 1497. In goud werden geslagen de excelente of dukaat, benevens dubbele dukaten en veelvouden van 4, 10 en 20 dukaten. Voor Nederlandse imitaties zie: Spaanse dukaat. De zilveren munt was de reaal (van 3,25 g) met veelvouden en onderdelen. Daarnaast kwamen er koperen munten van 2 en 4 maravedis. In Castilië waren zeven munthuizen: Burgos, Cuenca, Granada, Sevilla en Toledo die als muntteken hun initialen gebruikten, en Segovia (mt. aquaduct) en La Coruna (mt. schelp). Mettertijd werden de Castiliaanse typen ook gebruikt in de landen van de kroon van Aragón.

Onder Karel V (in Spanje Karel I) werd grotendeels verder gemunt op naam van Ferdinand en Isabella: gouden dukaten en veelvouden en zilveren realen; ca. 1535 werd een veelvoud van 8 realen van hetzelfde type ingevoerd, ongeveer overeenkomend met de Duitse daalder (de peso of Spaanse mat). Bovendien kwam er in 1537 een gouden escudo, overeenkomend met de Franse écu. Onder Karel V werd, mede door de veroveringen buiten Europa, een rijk gevormd, waarin de zon niet onderging.

Onder Philips II (1556-1598) werd weliswaar in 1580 Portugal veroverd, maar begon het rijk door talrijke oorlogen (o.a. de Dertig- en Tachtigjarige oorlog) in verval te raken. Portugal herkreeg in 1640 de onafhankelijkheid, de Noordelijke Nederlanden werden in 1648 formeel onafhankelijk, terwijl aan Frankrijk Roussillon (1659), delen van de Zuidelijke Nederlanden en Franche-Comté moesten worden afgestaan.

Tijdens de regering van Karel V begon ook de aanmunting in Amerika, waar realen en veelvouden op naam van Johanna en Karel werden geslagen met de gekroonde zuilen van Hercules en de tekst PLVS VLTRA (Nog verder), een verwijzing naar de ontdekking van de Nieuwe Wereld, Spaans-Amerika. Onder Philips II werden in 1566, met behoud van de muntvoet, geheel nieuwe beeldenaars ingevoerd, die gedurende meer dan een eeuw, steeds op naam van de regerende koning, onveranderd bleven. Op de vz kwam een gedeeld wapen, boven de Spaanse kwartieren (na 1580 met Portugal als hartschild) en onder de Bourgondisch-Nederlandse kwartieren; op de kz behielden de escudos het krukkenkruis, het zilver kreeg kastelen en leeuwen van Castilië en León in een vierpas.

De technische afwerking, vooral van de Amerikaanse stukken, was zeer primitief, omdat zij voor het grootste deel bestemd waren om als grondstof voor de Europese muntindustrie te dienen. Maar ook werden de matten zo in omloop gebracht, een enkele maal voorzien van een klop om ze daarvoor geschikt te maken.

Door de aanhoudende vlucht van goud uit het land werd de waarde van de escudo onder Philips II verhoogd. Stukken van 2 en 4 escudos, internationaal bekend als pistolen resp. dubbele pistolen (pistool), werden ook geslagen. Onder Philips III (15981621) werden nog grotere denominaties geslagen: in goud de onza van 8 escudos en in zilver de cincuentín van 50 realen. Onder Philips IV (1621-1665) werd zelfs een goudstuk van 12½ onza of 100 escudos uitgegeven dat aantoonde, hoe groot de economische macht van Spanje was. Deze was echter bijna geheel gebaseerd op de im- en export van goud en zilver, hetgeen de Spaanse economie kwetsbaar maakte.

Doordat de munten van edel metaal afvloeiden, ging onder Philips II en zijn opvolgers in Spanje de circulatie van minderwaardig kleingeld (van nauwelijks zilverhoudend biljoen en van koper) een overheersende rol spelen. Door talrijke de- en revaluaties van dat kleingeld door middel van instempelingen ontstond de zgn. vellon-inflatie (vellonmunt) die ertoe leidde, dat een dubbele koers van de rekeneenheid reaal ontstond. De peso bleef gelijk aan 8 zilveren realen, maar kreeg een koers van tenslotte 20 realen betaald in kopergeld (reales de vellon), wat tot in de 19e eeuw gehandhaafd bleef.

Terwijl in Amerika, waar de biljoen-inflatie geen rol speelde, het oude stelsel van de peso van 8 realen onveranderd bleef bestaan, zijn in Spanje sinds Karel II (1665-1700) telkens wijzigingen in de aanmuntingen opgetreden; enerzijds werden er lichtere munten van 8 realen geslagen (zoals de maria van 1686), anderzijds stukken met het oude gewicht die tenslotte de waardeaanduiding 20 realen kregen.

De dood van Karel II vormde de aanleiding tot de Spaanse Successieoorlog tussen Philips van Anjou en aartshertog Karel van Oostenrijk die ten gunste van Philips werd beslist. Als Philips V (1700-1746) handhaafde hij het bestaande muntstelsel, doch liet op de munten een gecombineerd Spaans wapen met hartschild Bourbon aanbrengen. Gedurende zijn regering liet hij zijn borstbeeld op de goudstukken plaatsen. In 1724 werd het aantal munthuizen in Spanje teruggebracht tot twee, Madrid en Sevilla.

Tijdens de Franse Revolutie schaarde Spanje zich in 1796 aanvankelijk aan de zijde van Frankrijk. In mei 1808 moesten de koning en kroonprins Ferdinand afstand doen van hun rechten. Napoleon benoemde zijn broer Jozef Bonaparte tot koning. Deze moest in 1813 Madrid verlaten. In 1814 werd Ferdinand VII als koning erkend. Het monetaire systeem was nog steeds opgebouwd rond de reaal van biljoen, ingedeeld in 34 maravedis, als eenheid. In de Napoleontische tijd werden goud- en zilverstukken uitgegeven met op de vz de kop van Jozef Bonaparte en op de kz het Spaanse wapen met de Franse keizerlijke adelaar als hartschild. Gedurende de Napoleontische oorlogen op het schiereiland werden op diverse plaatsen noodmunten uitgegeven en liet Ferdinand VII, als koning in ballingschap, een complete muntreeks verschijnen in de naar Mallorca in veiligheid gebrachte Munt van Catalonië.

De opvolging van Ferdinand VII door Isabella (1838-1868) werd aangevochten door de broer van haar vader, die zichzelf uitriep als Karel V (burgeroorlog 1838-1840). Om zijn aanspraken op de troon te accentueren, liet hij in het tijdelijk bezette Segovia zilveren pesetas en koperen maravedis slaan. Isabella zette de bestaande reeks voort. Deze bestond in goud uit stukken van 100 en 80 realen (doblón en ochentin), in zilver uit munten van 20 realen, 10 realen (duro), 4 realen, 2 realen (peseta) en 1 reaal en in koper uit stukken van 8, 4, 2, en 1 maravedi(s).

In 1854 werd het decimale stelsel ingevoerd en tot 1864 was de munteenheid de reaal van 100 céntimos. De nieuwe circulatiereeks bestond uit goudstukken van 20, 40 en 100 realen en koperstukken van 5, 10 en 25 céntimos de real. Bij de munthervorming van 1864 werd de munteenheid de escudo van 100 céntimos, waarbij 10 oude realen gelijk werden gesteld aan 1 nieuwe escudo. Nu werden in goud uitgegeven munten van 2, 4 en 10 escudos, in zilver munten van 10, 20 en 40 céntimos en 1 en 2 escudo(s) en in koper stukken van ½, 1, 2½ en 5 céntimo(s).

De Franse Revolutie en het als gevolg daarvan tijdelijk ontbreken van het gezag uit Madrid leidden in Zuid- en Midden-Amerika tot de onafhankelijkheidsverklaring der republieken aldaar.

De rest van de 19e en het eerste kwart van de 20e eeuw kenmerkten zich door grote interne onrust. Tijdens de burgeroorlog van 1868-1870 regeerde een provisioneel gouvernement, dat een geheel nieuw muntstelsel introduceerde, gebaseerd op het systeem van de in 1865 gesloten Latijnse Muntunie. Grondslag werd de peseta (gelijk aan de frank) van 100 céntimos; de uit de 16e eeuw daterende peso of duro werd nu het zilverstuk van 5 pesetas. Het borstbeeld van de koning werd op de zilveren en koperen munten vervangen door respectievelijk een liggende en een zittende personificatie van Hispania. Aanmuntingen in goud bleven achterwege.

Amadeo (1871-1873), prins van Italiaanse koninklijke bloede, herstelde de troon en kwam met goudstukken van 25 en 100 pesetas en een zilverstuk van 5 pesetas. Verdere uitbouw van zijn muntenreeks werd door een nieuwe revolte onmogelijk gemaakt. Tijdens de Republiek (1873-1874) sloeg de Munt te Cartagena stukken van 2 en 5 pesetas en 10 realen.

Alfonso XII (1875-1886), zoon van koningin Isabella, herstelde de troon opnieuw. Onder zijn regering werd een circulatiereeks opgebouwd van munten van goud van 10 en 25 pesetas, van zilver van 5, 2 en 1 peseta(s) en 50 céntimos en van koper van 5 en 10 céntimos. De reeks van Alfonso XIII (18861931), de postume zoon van Alfonso XII, kenmerkt zich door een serie verschillende portretten van kind en man. In 1925 werd de eerste nikkelbronzen munt van 25 céntimos geïntroduceerd met op de vz een galei en later een kroon, een hamer en een olijftak. Interne onrust leidde in 1929 tot de instelling van een dictatuur door kapitein-generaal Primo de Rivera. In 1931 week koning Alfonso XIII uit naar Frankrijk en werd de Republiek uitgeroepen die een reeks munten uitgaf, deels in goedkope metalen en met allegorische voorstellingen.

De interne tegenstellingen bleven en leidden in 1936 tot de Spaanse Burgeroorlog die generaal Franco definitief aan de macht bracht. Deze wist Spanje buiten de Tweede Wereldoorlog te houden, hoewel hij de Duitsers goedgezind was. Gedurende de Burgeroorlog (1936-1939) gaven beide partijen kleine céntimos-denominaties uit. Onder het Franco-regime werden aluminium 10- en 5-céntimosstukken uitgegeven met op de vz het Spaanse wapen en op de kz een ruiter met een lans, een moderne interpretatie van de wijdverbreide beeldenaars van Keltiberische munten. Sinds 1947 liet Franco zich als een vorst op zijn munten afbeelden en liet zich erop "caudillo de Espana por la gracia de Dios" (= leider van Spanje bij de gratie Gods) noemen, een terminologie die tot dan toe alleen aan soevereine vorsten was voorbehouden. Franco leidde Spanje weer naar een monarchie door Juan Carlos de Borbòn y Borbòn, kleinzoon van Alfonso XIII, in 1969 als zijn opvolger aan te wijzen. In 1975 overleed Franco en werd Juan Carlos als koning beëdigd.


Onder Juan Carlos I (1975-) werd de circulatie van muntgeld zeer divers doordat er door de voortschrijdende inflatie veel denominaties in veel metaalsoorten bijkwamen (alleen de 50 céntimos verdween, laatste emissie: 1980) en er ook bijzondere uitgiften als circulatiemunt verschenen, zoals ter gelegenheid van de Wereldkampioenschappen voetbal (1980). de Numismatische expositie te Madrid (1987), de Olympische Spelen te Barcelona, de Wereldtentoonstelling te Sevilla (beide 1992), en er sinds 1990 veel beeldenaarwisselingen op de meeste denominaties plaatsvonden. Dit effect werd nog vergroot doordat er weinig oude emissies uit de circulatie genomen werden, waardoor er in de eerste helft van de jaren negentig, naast de vele emissies op naam van Juan Carlos I, er ook nog steeds munten van Franco in omloop waren.

Voor de peseta ging men in 1982 van aluminiumbrons over op aluminium en werd bovendien in 1989 het formaat verkleind. Een aluminium munt van 2 pesetas (afk.: ptas) verscheen alleen in 1982. De koper-nikkelen munten van 5, 10, 25, 50 en 100 ptas (vaste afkorting voor pesetas) veranderden ook sterk: behalve van de 10 ptas werd in de loop van de tijd het formaat kleiner en/of veranderde de metaalsoort waardoor in enkele gevallen de vorm aangepast moest worden om de herkenbaarheid te vergroten: in 1990 een gat in de 25 ptas en een geschulpte rand voor de 50 ptas. Bovendien verschenen er nieuwe denominaties van 200 en 500 ptas.

Parallel hieraan veranderde de bankbiljettencirculatie. Veel kleinere coupures werden ingetrokken, met tussen haakjes het laatste emissiejaar: 1 peseta (1953), 5 ptas (1954), 25 ptas (1954) 100 ptas (1970), 200 ptas (1980) en 500 ptas (1979). Aan de bovenkant van de reeks verschenen nieuwe coupures met eerste emissiejaar tussen haakjes: 2.000 ptas (1980), 5.000 ptas (1976) en 10.000 ptas (1985).

W.

Papiergeld: in 1829 werden in Spanje de eerste bankbiljetten uitgegeven door de Banco Español de San Ferdinand die alleen voor Madrid waren bestemd. Uit een fusie met diverse andere banken onstond in 1856 de Banco de España. Deze had niet direct het alleenrecht op het uitgeven van papiergeld maar moest dat delen met onder andere de banken van Barcelona, Bilbao, Cádiz, La Coruña, Málaga, Santander, Sevilla en Zaragoza. In 1874 kreeg de nationale bank het alleenrecht.

Het uitbreken van de Burgeroorlog op 18 juli 1936 spleet Spanje in een republikeins en een nationalistisch deel. De republikeinen konden de hoofdstad Madrid voor zich behouden. De nationalisten zetelden hun regering, inclusief hun eigen Banco de España, in de stad Burgos. Zij verklaarden dat alle bankbiljetten met een uitgiftedatum van vóór 18 juli 1936 ter stempeling moesten worden aangeboden en dat alle bankbiljetten van na die datum binnen hun gebied ongeldig zouden zijn. Kort daarop verklaarden zij echter alle bankbiljetten binnen hun gebied ongeldig en gingen over tot uitgifte van eigen papiergeld, gedateerd 21 november 1936. Vanaf dat moment had Spanje, met een nationalistische Banco de España te Burgos en een republikeinse Banco de España te Madrid, twee emissiebanken.

De nationalisten slaagden er in 1936 niet in Noord-Spanje volledig voor zich te winnen. In Bilbao, Gijón en Santander waren de daar gevestigde filialen van de Banco de España van Madrid afgesneden waarop elk daarvan overging tot het uitgeven van eigen papiergeld. In Catalonië was het de Generalitat de Catalunya die biljetten van 2½, 5 en 10 ptas in omloop bracht. Door de oorlog ontstond in beide kampen een gebrek aan kleingeld. Vanaf april 1937 begonnen tientallen, hoofdzakelijk republikeinse gemeenten, papiergeld van lage waarden (van 5 céntimos tot 2 pesetas) in omloop te brengen (noodgeld). In Noord-Spanje, d.w.z. in nationalistisch gebied, was dat de Consejo de Asturias y León. In 1938 kwam het republikeinse Ministerie van Financiën met postzegelgeld in de waarden van 5, 10, 15 en 25 céntimos ter vervanging van de gemeentelijke noodgelden in hun gebied. Na de overwinning door de nationalisten werd de Banco de Espana te Madrid weer de enige circulatiebank die vanaf 9 januari 1940 begon met het uitgeven van nieuw papiergeld.

In 2002 ging Spanje over op de euro.

Ed v.G.

Lit.:

Calicó, F. & X., The "onza" Main Book (The Gold Doubloon of Eight/El Gran Libro de la Onza), Spain, Provincies and Independent Republics of America, Counterstamps and Counterfeits, 1611-1873, Barcelona 1986;

idem, Numismática Española (1474-1988), Barcelona 1988;

Castán, C, en J.R. Cayón, Catálogo de las Monedas Españolas desde los Reyes Católicos a Juan Carlos I, Madrid 1989;

idem, Las Monedas y billetes Españoles 1868-1978, Madrid 1977;

Gil Farrés, O., Historia de la Moneda española, Madrid 2e druk 1976;

Graeber, K., Local paper money issued during the Spanish Civil War, St. Louis, Missouri 1978;

Monteoliva, J.V., en F.P. Segurra, La peseta come unidad monetaria national - Monedas y billetes, Madrid 1986;

Villaronga, L., Numismatica antigua de Hispania, Barcelona 1987.



  • Spanje 100 pesetas 1965.jpg
  • Spanje 100 pesetas 1966.jpg
  • Spanje 10 centimos 1870.jpg
  • Spanje 2000 pesetas.jpg
  • Spanje 25 cent zj postzegelgeld.jpg
  • Spanje 80 reales 1839.jpg
  • Spanje 8 maravedi 1817.jpg
  • Spanje castiliaan 1474 1504.jpg
  • Spanje castilie cornado.jpg
  • Spanje dobla enrique IV.jpg
  • Spanje dobla pedro I.jpg
  • Spanje escudo 4 esc 1596.jpg
  • Spanje escudo liggende p.jpg
  • Spanje josef napoleon 80 realen 110.jpg
  • Spanje koningen.jpg
  • Spanje onza philips IV.jpg
  • Spanje peseta 1869.jpg
  • Spanje peso mexico 1789.jpg
  • Spanje reaal eind 15e eeuw.jpg
  • Spanjed oblon 1866.jpg