Ga naar: navigatie, zoeken

Geld

geld, algemeen aanvaard ruil- en betaalmiddel, het economische communicatiemiddel dat uitwisseling van goederen en diensten vergemakkelijkt waardoor ruilhandel wordt omgezet in koophandel. Zie voor een algemeen overzicht de geschiedenis van het geld. Daarnaast is geld reken- en spaarmiddel. Aanvankelijk bestond geld uit ge- en verbruiksgoederen en sieraden, zgn. goederengeld.

Men noemt dit primitief geld omdat het niet aan de eisen van het moderne handelsverkeer voldoet. Geld moet namelijk algemeen begeerd zijn (nuttig en waardevol), makkelijk verplaatsbaar, duurzaam en deelbaar, het moet een constante kwaliteit bezitten, een vaste waarde hebben en herkenbaar zijn. Omdat metalen (goud, zilver) voor een groot deel aan deze eisen voldeden, heeft muntgeld het van goederengeld gewonnen. Men rekent munten daarom tot het moderne geld, waartoe ook papiergeld en giraal geld behoren. Modern geld kan men qua vorm indelen in concreet geld en abstract geld, resp. chartaal geld en giraal geld.

Chartaal geld bestaat uit muntgeld (specie bestaande uit volwaardige en onvolwaardige munten) en papiergeld (bankbiljetten, [zilverbon]]s, thesauriebiljetten en muntbiljetten). Giraal geld bestaat uit direct opeisbare tegoeden bij banken en girodiensten: rekeningcourantsaldi die naar chartaal geld verwijzen en waarover men kan beschikken door middel o.a. van cheques, creditcards (plastic geld) of elektronische apparatuur (elektronisch geld). Met uitzondering van volwaardige munten, waarvan de intrinsieke waarde gelijk is aan de nominale waarde, hebben al deze geldsoorten een fiduciair karakter.

Dit vertrouwensgeld of fiduciair geld ontleent zijn waarde aan het vertrouwen (fiducie) dat het publiek erin stelt. Indien dit geld uitgegeven wordt door de landelijke overheid (Minister van Financiën) dan noemt men het staatsgeld: onvolwaardige munten, zilverbons, thesaurie- en muntbiljetten. Bankbiljetten en giraal geld noemt men daarentegen bankgeld. Thans bezitten alleen staatsgeld en bankbiljetten de status van wettig betaalmiddel. Daarnaast kent men de categorie van het noodgeld en het hulpgeld dat in geval van een stokkende geldcirculatie door de overheid of zelfs particulieren in omloop wordt gebracht. Vaak heeft deze categorie een beperkt circulatiegebied.

Een nog kleiner circulatiegebied heeft het huisgeld: tokens of bonnen die binnen een bepaald instituut als betaalmiddel functioneren zonder wettelijke basis (automaatpenning, bordeelpenning, gevangenisgeld, kantinepenning). Wordt zulk geld gebruikt aan boord van schepen, dan spreekt men van boordgeld; wordt het gebruikt bij speciale ceremoniën dan noemt men het ceremonieel geld; zaaigeld.

G.