Ga naar: navigatie, zoeken

Bankbiljet

bankbiljet, papiergeld van de categorie bankgeld, uitgegeven sinds de tweede helft van de 17e eeuw.

Aanvankelijk was het een niet-rentedragende kwitantie, gesteld in ronde bedragen, afgegeven door een emissiebank die munten of edele metalen van derden in bewaring had genomen. Tevens was het een belofte of promesse zonder tijdslimiet om het ten behoeve van toonder tegen klinkende munt in te wisselen. Op grond van het vertrouwen (fiducie) dat het publiek erin stelde werd het als betaalmiddel geaccepteerd hoewel het geen intrinsieke waarde bezat; fiduciair geld. Later, op het eind van de 19e eeuw, werd het in het algemeen bij de wet erkend, waardoor het de status van wettig betaalmiddel verkreeg. Als voorlopers van het bankbiljet beschouwt men onder andere de wissels en de goldsmiths' notes.

In Nederland worden bankbiljetten uitgegeven door de Nederlandsche Bank sinds haar oprichting in 1814. Op grond van slechte ervaringen met assignaten (assignaat)en recepissen in de Franse tijd genoten deze bankbiljetten in het begin weinig vertrouwen, doch al spoedig werden ze toch als betaalmiddel voor grote betalingen geaccepteerd en in de loop van de 19e eeuw namen ze meer en meer een deel van de muntcirculatie over. Door de opmars van automatisering en elektronica in de 20e eeuw werd de bankbiljettencirculatie op haar beurt relatief teruggedrongen door het girale geld (giraal geld). In 1904 kreeg het bankbiljet in Nederland de hoedanigheid van wettig betaalmiddel, zodat iedereen het als geld moest accepteren.

Hierdoor verviel in feite de betalingsbelofte van de Bank en sinds de Bankwet 1948 zijn ze nog slechts verwisselbaar voor andere biljetten van dezelfde of andere coupures; de frase "De Nederlandsche Bank betaalt aan toonder" die nagenoeg steeds op de biljetten had gestaan, kon toen vervallen.

Vorm en coupure der biljetten staan ter keuze van de directie van de Bank. De eisen die thans aan het uiterlijk van het biljet worden gesteld zijn: 1. het moet vertrouwen wekken; 2. het moet het onderscheid der verschillende coupures vergemakkelijken; 3. het mag niet trendgevoelig zijn; 4. het mag niet on-Nederlands zijn (later, bij de euro: het mag niet on-Europees zijn).

Sinds 1814 is de grootste coupure het ƒ 1000-biljet; alleen in 1914 heeft een bankiersbiljet van ƒ 5000 gecirculeerd. Tot 1904 gold als kleinste coupure het ƒ 25-biljet, daarna werd als kleinste coupure het ƒ 10-biljet ingevoerd en de Bankwet 1948 voorzag uiteindelijk in een ƒ 5-biljet.

In België worden bankbiljetten uitgegeven door de Nationale Bank van België sinds 1851. Daarvoor hadden enkele emissiebanken de bankbiljettenuitgifte verzorgd: Banque d'Ostende et de Bruxelles, Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt (Société Générale), Banque de Belgique, Banque Liégeoise et Caisse d'Epargnes en Banque de Flandre. Reeds in 1873 kreeg het bankbiljet in België de status van wettig betaalmiddel.

De grootste coupure is thans het 5000-frankbiljet, de kleinste is het 100-frankbiljet. De Belgische bankbiljetten zijn niet alleen in België maar ook in Luxemburg tot de geldcirculatie toegelaten.

In Luxemburg worden bankbiljetten uitgegeven door de Banque Internationale à Luxembourg sinds 1856; Van 1873 tot 1876 werden er ook bankbiljetten uitgegeven door de Banque Nationale du Grand-Duché de Luxembourg. Sinds 1985 geeft het Institut Monetaire Luxembourgeois een 1000-frangbiljet uit. De kleinste coupure bedraagt 100 frang. Sinds 1914 is het bankbiljet wettig betaalmiddel.

G.

Lit.:

Akkermans, C. en P. Vercoulen, Catalogus van het Nederlandse papiergeld, Culemborg 2002. Boer, A. A. de, Papiergeld, Haarlem 1980. Bolten, J., Het Nederlandse bankbiljet en zijn vormgeving, Amsterdam 1987. Idem, Het Nederlandse bankbiljet 1814-2002, vormgeving en ontwikkeling, Amsterdam 1999. Fase, M. M. G., J. R. Steinhauser en Joh. de Vries (red.), Het Nederlandse bankbiljet in zijn verscheidenheid, Amsterdam 1986. Grolle, J. J. Het Nederlandsche bankbiljet; een chronologisch overzicht, De Beeldenaar (1986 e.v.). Maes, A., Belgium-Banknotes 1850-1974, Paper money of the 20th century, St. Louis USA 1975. Mevius, J. en F. G. Lelivelt, Speciale Catalogus van de Nederlandse bankbiljetten van 1814 tot heden, Amsterdam 1977. Monestier, M., Bankbiljetten van de wereld, Brussel en Amsterdam 1983. Muszynski, M., Les billets de la Banque de France, Les Emissions du Tresor, 4e dr., La Roche-sur-Yon 1988. Narbeth, C, R. Hendy en C. Stocker, Historische bankbiljetten en aandelen, Baarn 1979. Piek, A., Standard catalog of world paper money, München 1980. Weiler, R., Cent vingt-cinq ans de papier-monnaie luxembourgeois, Luxemburg 1981.


  • Het eerste bankbiljet van f 1000,- , uitgegeven in 1814 door de Nederlandsche Bank; 20 x 12 cm. DNB.
  • Bankbiljet groentje.jpg
  • Bankbiljet nederland 200 gld 1851.jpg