Ga naar: navigatie, zoeken

Zilver

Zilver baar zilver mexico 2283 5 g.jpg

zilver, edel metaal met blijvende mooie witte glans, dat zich uitstekend laat vervormen en daardoor zeer geschikt is voor sieraden en munten. In zuivere vorm is het te zacht en slijt het te snel; het wordt daarom bijna altijd met koper gelegeerd, de vervormbaarheid blijft daarbij behouden. In zwavelhoudende omgeving wordt zilver zwart door de vorming van een laagje zilversulfide. Na een eerste periode met munten van electrum gebruikten de Grieken in de 6e en 5e eeuw v.Chr. alleen zilveren munten, meestal met een zuiverheid van 90 tot 99%.

De Grieken vonden hun zilver in Macedonië, Thracië en bij Laurion, dat 60 km ten zuid-oosten van Athene lag. De Romeinen gebruikten vooral zilver uit Spanje. In de 3e eeuw v.Chr. werden er enkele series didrachmen in zilver geslagen. Ook de Romeinen gebruikten in het begin het zilver zoals het in de natuur voorkwam, pas in de keizertijd begon men te legeren met koper. Sinds 211 v.Chr. werd de denarius vervaardigd (gehalte aanvankelijk 95-98%) en sinds 215 na Chr. de antoninianus, aanvankelijk met een gehalte van 45% en daarna lager.

In de tweede helft van de 9e eeuw kwam er zilver uit een mijn in Melle (in de buurt van Poitiers). Omstreeks 965 vond men zilver bij Rammelsberg boven Goslar. Het toppunt van de productie was omstreeks 1025, daarna was er zilverwinning bij Freiberg (Saksen) en in Toscane, tussen 1220 en 1230 in Iglau op de grens van Bohemen en Moravië. Daarna volgde van 1225 tot eind 13e eeuw Iglesias op Sardinië, Chemnitz in Saksen, Kutna Hora in Bohemen en Hall in Tirol.

Tegen het einde van de 15e eeuw begon men veel zwaardere zilveren munten te slaan, van bijna 30 g, zoals de guldengroschen en de joachimsdaalder, mogelijk gemaakt door nieuwe mijnbouwtechnieken en het vinden van rijke ertsaders in het Ertsgebergte. Na de ontdekking van Amerika kwam zilver vandaar via Spanje naar Europa. Een enorme hoeveelheid zilver werd in Potosí in het tegenwoordige Bolivia ontdekt in 1544. Tegenwoordig komt het zilver vooral uit Amerika, Australië en Siberië.

Zilver is, naast goud, heel lang het belangrijkste muntmetaal gebleven. Pas in de 17e eeuw kwam hierin verandering en begon koper voor pasmunt een steeds belangrijker rol te spelen. De proeven van de Fransman Levol (omstreeks 1852) leidden ertoe dat in Nederland voor de Nederlandsch-Indië en in Frankrijk het gehalte voor de zilveren munten op 72% zilver gebracht werd, aangevuld met 28% koper. Dit is een slijtvaste legering met een mooie homogene structuur. In 1921 werd deze legering ook in Nederland ingevoerd voor de ½, 1 en 2½ gulden, zie ook klop F 22.

In de tweede helft van de 19e eeuw begon men voor de lagere waarden munten zonder intrinsieke waarden te accepteren. Zo voerde België in 1861 koper-nikkel in als muntmetaal voor de 5, 10 en 20 centimes. Nederland verving in 1907 het zilveren stuivertje door munten van dezelfde legering.

In de jaren 60 van de 20e eeuw steeg de zilverprijs door speculatie, maar ook door het toenemen van het zilvergebruik in de fotografie en het lassen. De zilveren munten dreigden daardoor als zilver meer waarde te krijgen dan de nominale waarde die op de munten vermeld stond. Ze werden daarom ingetrokken en vervangen door munten van andere metalen met veel lagere intrinsieke waarde. Sedertdien worden nog slechts zilveren verzamelaarsmunten geslagen, meestal gedenkmunten. Ook voor penningen en medailles wordt zilver nog toegepast. Zie ook: zilverlegering, koningszilver en zilversulfide.

K.

Lit.:

Hammer, P., Metall und Münze, Leipzig-Stuttgart 1993;

Levol, M.A., Mémoires sur les alliages, Annales de Chimie et de Physique, Parijs 1853;

Nef, J.U., Silver production in Central Europe 1450-1618, Journal of Political Economy XLIX (1941);

Spufford, P, Money and its use in Mediaeval Europe, Cambridge 1988;

Valk, H.J.L. van der, Archaïsch Grieks zilver, De Beeldenaar (1981) 90-95.