Ga naar: navigatie, zoeken

Plastic geld

plastic geld, populaire benaming voor de plastic kaarten die bij verrekendoeleinden worden gebruikt. Tot de bekendste vormen van plastic geld behoren de credit-cards, sinds de jaren zestig uitgegeven door organisaties als American Express en Diners Club, later gevolgd door Visa en MasterCard.

Men "betaalt" door elektromagnetische uitlezing van de plastic kaart. De werkelijke betaling gebeurt later, via overschrijving of inning vanaf een bankrekening van de kaarthouder naar de maatschappij waarvan men kaarthouder is. Deze op zijn beurt betaalt, na aftrek van provisie, de leverancier.

Het op de plastic kaart opnemen van informatie die via een magneetstrip of chip kan worden uitgelezen, maakte het mogelijk elektronisch te betalen. Daarbij wordt de plastic kaart gebruikt om langs elektronische weg autorisatie te geven voor het overmaken van een aankoopbedrag van de eigen rekening naar de rekening van de verkopende partij. Naar de beveiliging met een Persoonlijk Identificatie Nummer (PIN) tegen gebruik door onbevoegden wordt deze handeling ook wel aangeduid als "pinnen".

Als nadeelvan het pinnen geldt de afhankelijkheid van kaartlezers die op een computer moeten zijn aangesloten. Die afhankelijkheid ontbreekt bij de derde generatie plastic kaarten, de zogenaamde chip-card. Dat zijn kaarten waarin een micro-processor (chip) is aangebracht die "geladen" kan worden met een bepaalde bestedingsruimte.

Bij betalingen wordt, op interactieve wijze, het te betalen bedrag op de bestedingsruimte in mindering gebracht. Is de bestedingsruimte verbruikt of niet toereikend, dan kan de chip via de rekening van de kaarthouder opnieuw worden opgewaardeerd. In Woerden heeft in de jaren 1989-1992 een grootschalige proef voor het betalen met chip-cards plaatsgevonden. Soortgelijke proeven zijn in 1994 in Asten en Arnhem begonnen. In de Engelstalige literatuur noemt men het plastic geld meestal "smartcards".

Ed v.G.

Lit.:

Sleijpen, O., en D. Miedema, Cyberbucks bedreigen bankbiljet, De Florijn, januari 1996, blz. 25-27.