Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlandsch-Indië

Nederlandsch-Indië, voormalige Nederlandse koloniale bezittingen in de Indische archipel onder Nederlands bestuur als voortzetting van het VOC-gezag. Op 24 december 1795 werd het "Decreet tot vernietiging van het tegenwoordig bewind der VOC" aangenomen en op 1 maart 1796 moesten de bewindhebbers plaats maken voor het "Committé tot de zaken van de Oostindische Handel en Bezittingen". De Compagnie was niet opgeheven, maar genationaliseerd door de Bataafse Republiek. Het octrooi werd gehandhaafd en eindigde op 31 december 1799, maar bij gebrek aan een nieuwe regeling bleven de oude bepalingen van kracht tot mei 1804, toen een nieuw charter werd vastgesteld.

De overname van de administratie van de "Groote Geldkamer" te Batavia op 30 juni 1799 door de opperkoopman J. Hartman wordt beschouwd als het einde van de aanmunting op Java voor rekening van de VOC en het begin van de aanmunting voor rekening van de Bataafse Republiek.

Te Batavia werd onder het bewind van de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland (1806 1810, zie Holland, koninkrijk) en het Franse Keizerrijk (1810 tot de Britse bezetting van Java in 1811) de muntslag zoals daarvoor onder de VOC voortgezet. Uitgegeven werden koperen stuivers, koperen bonken, gouden en zilveren Javase ropijen en onderdelen daarvan.

In 1806 werden voor het eerst ook te Surabaja koperen duiten geslagen. Naast duiten met het VOC-monogram werden hier (1808-1811) koperen duiten, stuivers en halve stuivers met het monogram L.N. (= Lodewijk Napoleon) geslagen. Ondanks deze aanmunting bleef er een groot gebrek aan klein kopergeld, zodat omstreeks 1808, 2.400.000 stuks Japanse koperen pitjes in omloop werden gebracht.

Onder het bewind van de Bataafse Republiek en in mindere mate ook onder het Koninkrijk Holland (1806-1810) zijn omvangrijke hoeveelheden aan pasmunt uit Nederland naar Java verscheept, bestaande uit de zilveren scheepjesgulden (1802) met onderdelen, geslagen te Enkhuizen en halve en hele duiten in koper. De eerste emissie bestond uit duiten met het VOC-monogram en is geslagen te Enkhuizen (1802-1804) en te Harderwijk (1802-1806). In 1802 werd een nieuw type duit geïntroduceerd met het opschrift Indiae Batav: met de waardeaanduiding 5-1/16-G op de duiten en 5-1/32-G op de halve duiten (5 koperen duiten zijn gelijk aan 1/16 zilveren gulden oftewel 80 duiten = 1 gulden = 20 zilveren stuivers). Dit was gebaseerd op de oorspronkelijke waarde van de koperen duiten in Indië; echter de nieuwe standpenning, de scheepjesgulden van 1802, was gangbaar verklaard voor 24 zilveren stuivers, zodat de duit de waarde van 6-1/16-G zou moeten hebben. Daarom werden ze niet direct in omloop gebracht, doch ondanks de grote behoefte aan klein kopergeld, pas op 5 juni 1804. Deze emissie werd geslagen te Enkhuizen (1802-1803) Hoorn (1804-1809) en Kampen (alleen hele duiten, 1802-1807).

Na de inlijving van Nederland bij het Franse keizerrijk in 1810 werden de Franse koperen munten van 2 sols en 1 sol (12 deniers) met borstbeeld van Lodewijk XVI en "Roi des Francois" en die met LODOV. XVI D. GRATIA alsmede de koperen stukken met de personificatie van de "République Française" in Indië gangbaar verklaard. Koers 1 sol = 1 stuiver. Van een emissie van koperen halve stuivers en duiten met N JAVA 1811, zoals vermeld in de publicatie waarmee ook de Franse munten gangbaar werden verklaard, is blijkbaar niets gekomen.

Het daaropvolgende jaar veroverden de Britten de Archipel. Het bestuur viel toen toe aan de East India Company. Onder het Britse bestuur op Java (1811-1816) werd de geldcirculatie belangrijk gereorganiseerd o.m. door waardevermindering en sanering van de overvloedige papiergeldcirculatie, het invoeren van de Bengaalse sikka roepie en het buiten omloop stellen (1815) van de koperen bonken.

Ondanks deze maatregelen bleef er een groot gebrek bestaan aan koperen pasmunt. Zo werden er vanaf 1812 te Surabaja stuivers, ½ stuivers en duiten geslagen van kannonnenbrons vermengd met koper alsmede te Batavia duiten van Bankatin (1813-1814). Deze munten dragen het handelsmerk VEIC van de Britse Compagnie. Voorts werden onder het Britse bestuur gouden halve ropijen, zilveren ropijen en halve ropijen geslagen. De halve gouden ropij (door de Engelsen herhaaldelijk "half mohur" genoemd) evenals de hele en halve zilveren ropij, verschilt in belangrijke mate van de eerder onder Nederlands bestuur geslagen exemplaren doordat ze tweetalig (Maleis en Javaans) zijn en gedateerd volgens de Christelijke (alleen de halve gouden ropijen), de Mohammedaanse (hedsjra) en de Javaanse (Aki Saka) jaartelling.

Op 19 augustus 1816 werden Java en onderhorigheden en op 28 augustus Surabaja aan het Nederlands bestuur overgedragen. Voordat het Britse bestuur het gezag had overgedragen zijn in 1814-1816 reeds koperen duiten en halve duiten (type .*. INDÆ BATAV: datum H:) geslagen in de fabriek van De Heus te Amsterdam. De vergelijkbare duiten en halve duiten van 1816 met een S zijn pas in 1820-1822 te Utrecht geslagen door muntmeester Y.D.C. Suermondt. Bij de overname van het bestuur had men, naast een miljoen aan papiergeld, uit Nederland voor ca. ƒ2.000.000, aan contanten en zilveren baren (ƒ622.915 aan zilveren baren, 985.200 stuks gerande guldens a 24 stuivers = ƒ 1.182.240 en ƒ 267.625 aan duiten) meegebracht om het muntwezen op orde te brengen. Na de overdracht van het bestuur zijn van de zilveren baren alsmede van door particulieren aangebracht zilver en goud, volgens besluit van 1 november 1816, te Surabaja zilveren ropijen en halve gouden ropijen geslagen van het Britse model. Deze munten zijn herkenbaar aan de M op de "B" van "Zarb".

Eerder, bij KB van 8-11-1815, werd bepaald dat er zo spoedig mogelijk een nationale Indische standpenning moest komen. De hiervoor te Utrecht vervaardigde stempels zijn te Surabaja beproefd; slechts één enkel proefexemplaar is bekend. Na ultimo juni 1817 zijn geen gouden en zilveren munten meer in Nederlandsch-Indië geslagen en werden alle gouden en zilveren muntspeciën uitsluitend vanuit Nederland, en tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit de Verenigde Staten van Amerika, ingevoerd.

Bij publicatie van 14 januari 1817 (Indisch Staatsblad no. 4) werd de Nederlandse zilveren gulden tot standpenning verklaard, verdeeld in 120 koperen duiten = 30 koperen Indische stuivers = 24 zilveren Nederlandse stuivers.

De koersen van de op Java gangbare munten

in duiten in 1817:

Nederlandse (zilveren) stuiver 5

Indische (koperen) stuiver 4

dubbeltje 10

schelling 30

Nederlandse gulden 120

Javase, Surat en Arcot ropij 120

Bengaalse sikka ropij 126

Amerikaanse dollar 240

Spaanse dollar of piaster 264

oude ducaton 312

gerande ducaton 320

gouden Nederlandse dukaat 528

gouden halve ropij 960

gouden ropij 1920

De zilveren standpenning (de Nederlandse gulden) was overgewaardeerd ten opzichte van de andere zilveren munten met het doel deze geleidelijk uit de circulatie te verdringen. Door deze maatregel, alsmede door de opnieuw ongelimiteerde uitgifte van papiergeld, verdween inderdaad het zilvergeld uit de geldcirculatie, zodat er grote behoefte aan kopergeld ontstond.

Op Java werden opnieuw koperen bonken vervaardigd (Surabaja, 1818-1819) alsmede ½, ¼ en 1/8 koperen stuivers geslagen, weer met het opschrift INDÆ BATAV: (Surabaja, 1818-1826). De muntwet van 1816 werd formeel voor Nederlandsch-Indië van toepassing verklaard in 1826. Daarvóór waren er al partijen zilvergeld naar de Oost verscheept, maar die verdwenen volgens de wet van Gresham direct uit de circulatie, die in feite alleen uit papiergeld en koper bestond. Aanpassing van de beeldenaar in 1821 hielp daar natuurlijk niets aan.

Wegens de blijvende grote schaarste aan zilveren munt werd door het Nederlandsch-Indische Gouvernement te Batavia in 1824 contact gezocht met het Bengaalse handelshuis Palmer en Co. te Calcutta voor een geldlening van 15 miljoen sikka ropijen; dit plan werd echter door koning Willem I afgewezen. Men werd zich in Nederland door die actie pas goed bewust van de precaire monetaire situatie in Nederlandsch-Indië met als gevolg dat in 1826 de muntwet van 1816 merendeels ook voor Nederlandsch-Indië van toepassing werd verklaard.

De Nederlandse gulden, de gouden 10 gulden stukken, alsmede de 3 gulden, halve guldens en kwartjes, zoals deze bij de muntwet van 1816 in Nederland waren ingevoerd, werden voor gelijke waarde in Indië gangbaar verklaard. De standpenning werd nu verdeeld in 20 stuivers en vormde de grondslag voor berekening van alle transacties. Na het besluit in 1826 om de muntwet van 1816 grotendeels ook voor Nederlandsch-Indië van toepassing te verklaren, zijn in hetzelfde jaar bij de Munt te Utrecht ook ½ guldens (1826-1834) en ¼guldens (1826-1840) met het opschrift NEDERLANDSCH INDIE geslagen.

De op Java gangbare ropijen (lokale en uitheemse) werden, behalve de Bengaalse sikka ropij, buiten omloop gesteld. De gouden hele en halve ropij werden inwisselbaar gesteld tegen 16, resp. 8 Nederlandse gulden. De koperen pasmunten bleven bestaan uit dubbele, enkele en halve duiten; koers: 5 koperen duiten = 1 zilveren stuiver; 100 koperen duiten = 1 zilveren gulden. De koperen bonken werden ingewisseld per gewicht, ƒ 125 per pikol of 1 gulden per pond, uit te keren in papiergeld of duiten.

Ingevolge KB van 16 april 1827 werden in 1827 en opnieuw in 1834/5 bij de Munt te Utrecht koperen duiten geslagen van het oude VOC-type (muntteken .*.) met het fictieve jaartal 1790. Met gelijke, uit Nederland geleverde, stempels (muntteken *) is tussen 1840-1843 de emissie van koperen dubbele, hele en halve duiten te Surabaja en Batavia geslagen.

Van 1833-1841 werden te Surabaja koperen 1 en 2 cent stukken geslagen (type NEDERL. INDIE datum D, V, J of W). Met het sluiten in 1843 van de munthuizen te Surabaja en Batavia kwam er een einde aan de muntfabricage onder Nederlands bestuur in Nederlandsch-Indië.

De nieuwe grondwet van 1848 maakte een nieuwe muntwet nodig die in 1854 werd vastgesteld. Ingevolge deze muntwet werden de Nederlandse zilveren standpenningen (rijksdaalder, gulden en halve gulden) en de gouden negotiepenningen (dubbele, enkele en halve gouden willem, alsmede de enkele en dubbele dukaat) ook in Nederlandsch-Indië gangbaar verklaard. In 1877 werden hieraan het gouden 10-guldenstuk en in 1912 het gouden 5-guldenstuk toegevoegd. Voor de kwartjes, dubbeltjes en stuivers werd het zilvergehalte verlaagd tot 0,720, levol.

Voor de Nederlandsch-Indische pasmunten werden afwijkende samenstellingen en beeldenaars voorgeschreven. Al deze pasmunten (zilveren ¼, 1/10 en 1/20 gulden; koperen 2½, 1 en ½ cent) tijdens de regering van koning Willem III (1849-1890) en koningin Wilhelmina (1890-1948) zijn bij de Munt te Utrecht geslagen conform de muntwet voor Nederlandsch-Indië van 1854, overeenkomstig door de numismaat Prof. H.C. Millies vervaardigde ontwerpen en modellen. Wegens de geringe afmetingen van de 1/20 zilveren gulden werd de fabricage van deze denominatie in 1855 gestaakt.

In 1911 werd een nikkelen 5-centstuk geïntroduceerd en in 1936 een bronzen cent; beide met centrale doorboring. Van een emissie van een kwart cent 1934 zijn slechts enkele proeven bekend.

Door de uitbreiding van het Nederlandse gezag en de successievelijke invoering van het Nederlandsch-Indisch muntstelsel in de buitengewesten (o.a. Sumatra en Celebes) nam de aanmunting voor Nederlandsch-Indië in het begin van de 20e eeuw enorm toe. De aanmunting van de Nederlandse halve gulden werd nagenoeg in zijn geheel naar Indië verscheept.

Ten gevolge van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog dreigde in Nederlandsch-Indië een plotseling tekort aan pasmunt te ontstaan. Om hierin te voorzien zijn te Batavia noodmunten van 10 en 5 cent van een lood-tinlegering geslagen. Door spoedige aanvoer van pasmunt uit Nederland zijn deze noodmunten niet in omloop gebracht en zijn hiervan slechts enkele proeven bekend.

In het Nederlandsch-Indisch Staatsblad 1919 no. 511 werden bepalingen opgenomen tegen het zgn. oppotten, en tegen het versmelten of op andere wijze ongeschikt maken van wettige zilveren munten. In hetzelfde jaar werd ingevolge de zgn. "gehalte wet 1919" het gehalte van de zilveren tekenmunt (rijksdaalder, gulden en halve gulden) teruggebracht van 0,945 naar 0,720. In 1929 werd begonnen de munten van het oude gehalte geleidelijk aan de circulatie te onttrekken. In 1932 was ƒ95.000.000 aan munten van het oude gehalte in Nederlandsch Indië aan de circulatie onttrokken, waartegenover ƒ110.200.000 aan nieuwe tekenmunt werd ontvangen.

Op 5 maart 1942 werd Batavia door de Japanners bezet. Na de capitulatie werd hier op 17 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid uitgeroepen. In 1946 kwamen Java en onderhorigheden weer in Nederlandse handen tot de souvereiniteitsoverdracht aan de republiek Indonesië op 27 december 1949.

Wegens de bezetting van Nederland zijn door het Nederlandsch-Indische Gouvernement van juni 1940 tot januari 1942 omvangrijke bestellingen geplaatst in de Verenigde Staten van Amerika voor ¼ gulden, 1/10 gulden en centen van het Nederlandsch-Indische type. Deze emissie is gedateerd 1941 en 1942 (centen alleen 1942). Door de Japanse bezetting van Nederlandsch-Indië verdween er al het muntgeld uit de circulatie, inclusief de reeds gearriveerde leveringen uit de Verenigde Staten van Amerika. Voor zover niet verborgen of anderszins achtergehouden werd al het muntgeld door de Japanners in beslag genomen, naar Japan afgevoerd en daar omgesmolten.


Tijdens de Japanse bezetting van Nederlandsch-Indië zijn in 1943 door de Nederlandsch-Indische Commissie voor Australië en Nieuw Zeeland in de Verenigde Staten van Amerika munten van het Nederlands type (zilveren 2½ en 1 gulden, 1943) besteld. In november 1944 werd door de Nederlandse regering in Londen, na overleg met de Nederlandsch-Indische autoriteiten in Australië, een bestelling geplaatst voor ¼en 1/10 gulden, alsmede 2½, 1 en ½ cent. De munten van deze emissie zijn van het Nederlandsch-Indisch type en alle gedateerd 1945 hoewel een gedeelte in 1946 is geslagen.

De in de Verenigde Staten van Amerika geslagen munten dragen als muntmeesterteken een palmboom en zijn geslagen in de munthuizen te Philadelphia (P), San Francisco (S) en Denver (D). Het totaal nominaalbedrag van alle in de Verenigde Staten van Amerika bestelde munten bedraagt ƒ100.213.680. Een belangrijk deel van deze aanmunting is tot na de bevrijding opgeslagen gebleven in Amerika en Australië.

Na de capitulatie van Japan bleef het Japanse geld in omloop. Pas in maart 1946 werden de in de Verenigde Staten van Amerika bestelde munten gedeeltelijk in circulatie gebracht, enkele maanden later gevolgd door het buiten omloop stellen van het Japanse geld.

In de door Republikeinse strijdkrachten gecontroleerde gebieden werd het gebruik van Nederlandsch-Indisch geld verboden en werden er, door de Republiek Indonesië uitgegeven, rupiahbiljetten in omloop gebracht. Het Nederlandsch-Indisch Gouvernement moest, ondanks de politionele acties, gedogen dat het Republikeinse geld (dat gestaag in waarde daalde) bleef circuleren. Door de voortschrijdende inflatie vertegenwoordigden zelfs de laagste denominaties nog vrij aanzienlijke metaalwaarde en verdween het muntgeld uit het geldverkeer. Het in de Verenigde Staten van Amerika geslagen zilvergeld werd, voor zover niet door De Javasche Bank achtergehouden, veelal tot sieraden verwerkt. De Javasche Bank trachtte de inflatie te beteugelen door de hoeveelheid van de in omloop zijnde Gouvernements-guldenbiljetten te beperken.

Officieel was na de souvereiniteitsoverdracht het Nederlandse of vanwege Nederlandse instanties uitgegeven geld niet langer geldig. Op 2 januari 1950 werd de rupiah tot wettig betaalmiddel verklaard. Het nog in de kassen bij de Javasche Bank aanwezige zilvergeld (hoofdzakelijk in de Verenigde Staten van Amerika geslagen), werd door Nederland overgenomen en de zilverwaarde aan de Republiek Indonesië vergoed. In 1951 is een nominale waarde van ruim ƒ 15 miljoen naar Nederland verscheept en daar bij 's Rijks Munt te Utrecht omgesmolten.

Ingevolge het besluit van de Minister van Financiën verloor op 3 november 1951 al het Nederlandsch-Indische geld zijn geldigheid. De munten konden worden omgewisseld op basis van 1 cent = 1 roepiah. De koperen munten van 2½, 1 en ½ cent bleven geldig.

L.

Papiergeld

Aan de omvangrijke uitgiften van kredietbrieven (kredietbrief), vanaf 1782 door de VOC gedaan, kwam ook na de opheffing van de Compagnie geen einde. Als gevolg van de inval van de Fransen in Nederland werd de muntuitvoer naar Nederlandsch-Indië opgeschort. Het aldaar ontstane tekort aan muntgeld werd met grote hoeveelheden kredietbrieven bestreden. In 1805 kwamen kredietbrieven in omloop die "speciaal voor de Grote Oost" waren bestemd en gangbaar werden verklaard voor Ambon, Banda en Ternate. Van Gouverneur Daendels mocht in 1809 de Bataviasche Weeskamer eveneens kredietbrieven gaan uitgeven. In 1810 kwam Probolingo-papier in omloop, een vorm van papiergeld dat de opbrengsten uit verkopen van land aan particulieren tot onderpand had.

Aan de enorme hoeveelheid papiergeld heeft het Britse tussenbestuur (1811-1816) een einde proberen te maken. Geheel voor eigen rekening nam het voor een bedrag van 8,5 miljoen rijksdaalders aan kredietbrieven uit de circulatie. Maar omdat de Britten, net als hun voorgangers, geen raad wisten met het voortdurend tekort aan muntgeld moesten ze uiteindelijk aan de eerder door hen ingekrompen hoeveelheid papiergeld opnieuw uitbreiding geven. In 1814 kwamen schatkistbiljetten (Treasury-notes) in circulatie alsmede een emissie uitgegeven door de Bank van Lening (Lombard Bank). Beide soorten papiergeld waren gesteld in Javase ropijen, de standpenning sinds 1813.

Bij het aantreden van de Commissarissen-Generaal, Elout, Buyskes en Van der Capellen, in 1816 werd direct voor 1 miljoen aan nieuw papiergeld in omloop gebracht. Dit papiergeld is door Johan Enschedé te Haarlem gedrukt. De biljetten dragen de tekst "Nederlandsch Oost-Indien" en worden, naar de verdere aanduiding op de biljetten, "Creatie 1815" genoemd.

Vanaf 1828 kwamen bankbiljetten in omloop, uitgegeven door de in dat jaar opgerichte circulatiebank voor geheel Nederlandsch-lndië, De Javasche Bank. Ook dit papiergeld is door Johan Enschedé gedrukt en had aanvankelijk bijna dezelfde uitvoering als de roodborstjes van De Nederlandsche Bank. Hoewel De Javasche Bank het alleenrecht op de uitgifte van papiergeld had gekregen, moest zij in 1832, na een serieuze dreiging met intrekking van haar octrooi door de Nederlandsch-Indische Regering, meewerken aan van regeringswege uit te geven papiergeld, de kopercertificaten (kopercertificaat).

Omdat de koers van het koper op 120 duiten voor een zilveren gulden was gesteld, werd met de uitgifte van dit koper vertegenwoordigende papier met een koers van 1 gulden = 100 duiten, een stelsel van twee kassen noodzakelijk voor zowel de regering, de banken als de handel. Regelmatig leidde dat tot grote verwarring. In het spraakgebruik noemde men de op koper gebaseerde gulden "gulden licht geld". Met "gulden zwaar geld" werden de zilveren guldens en de biljetten van De Javasche Bank bedoeld.

De in 1845 aangetreden Gouverneur-Generaal Rochussen maakte een einde aan dit dubbele stelsel van guldens. Hij introduceerde een nieuw soort papiergeld, de zilverrecepis. Als dekking daarvoor dienden wissels die in zilveren guldens waren gesteld en door het Indische bestuur tegen een vaste koers op Nederland werden afgegeven. Door de recepissen verkrijgbaar te stellen zowel tegen 120 koperen duiten voor een zilveren gulden als tegen kopercertificaten, konden daarmee grote hoeveelheden "guldens licht geld" uit de circulatie worden genomen.

Door de muntwet van 1854 werden de zilverrecepissen overbodig en daarom werden ze vanaf 1858 geleidelijk en in 1861 definitief buiten omloop gesteld. Het publiek was echter met de recepis gewend geraakt aan papiergeld van kleine coupures. Het octrooi van De Javasche Bank verbood nog het in omloop brengen van coupures lager dan 10 gulden.

Door de Nederlandsch-Indische Escompto Maatschappij werd ogenblikkelijk in de behoefte aan klein papiergeld voorzien door het uitgeven van biljetten van 2½ en 5 gulden. De Javasche Bank zag dit als een schending van haar octrooi, protesteerde heftig en mocht tenslotte zelf vanaf 1866 biljetten van ƒ 5 gaan uitgeven.

Wegens de gebrekkige verbindingen met Nederland als gevolg van de Eerste Wereldoorlog kwamen in 1919 muntbiljetten in omloop die deels in de Verenigde Staten en deels in Nederlandsch-lndië zijn gedrukt. De Javasche Bank bracht eveneens in de Verenigde Staten gedrukte bankbiljetten in omloop van 20, 30 en 40 gulden.

De biljetten van De Javasche Bank werden in 1922 wettig betaalmiddel en gingen vanaf 1933 Indonesische voorstellingen dragen. Nog steeds waren ze in de Nederlandse taal gesteld met uitzondering van de strafbepalingen. Buiten het Nederlands werden hiervoor ook nog het Javaans, Chinees en Maleis gebruikt.

In 1941 kwam een nieuwe emissie muntbiljetten in omloop, afkomstig uit de drukkerij van Kolff in Batavia. Gedurende de Japanse bezetting is gunpyo- en Nanpatsu-geld in omloop gebracht. Bij de geleidelijke herovering van Nederlandsch-Indië op de Japanners is gebruik gemaakt van NICA-geld, gedrukt door de American Bank Note Company.

Na de capitulatie door Japan zijn de biljetten van De Javasche Bank die voor de oorlog in omloop waren (die met het portret van J.P. Coen alsmede de wajangserie) opnieuw geactiveerd. Het octrooi werd gewijzigd zodat de bank vanaf 1948 biljetten van een ½, 1 en 2½ gulden kon uitgeven. In 1947 zijn muntbiljetten van 10 en 25 sen in omloop gekomen.

Na de overdracht van Nederlandsch-Indië aan de Republiek Indonesië zijn de biljetten van De Javasche Bank alsmede het NICA-geld, met uitzondering van de coupures van ƒ2,50 en lager, in 1950 buiten omloop gesteld. Door halvering konden de linker helften nog 1 maand voor de halve waarde worden gebruikt en daarna worden omgewisseld voor biljetten van de Bank Indonesia. De rechter helften konden worden omgewisseld voor obligaties ten laste van de nieuwe staat. Voor de verdere geldgeschiedenis: Indonesië.

Ed v.G.

Lit.:

Boegheim, L.M.J., De aanmuntingen voor de Nederlandse Koloniën gedurende de Tweede Wereldoorlog in de U.S.A., JMP (1992)307-354;

Foltz, D.L., Papermoney of the republic of Indonesia, Indianapolis USA, 1970;

Kemp, P.H. van der, Episodes uit de geschiedenis der aanmuntingen ten behoeve van Oost-Indië in 1802-1817, Bijdrage tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, deel 70, afl. 2, 's-Gravenhage 1915, 227-440;

Mees, W.C., Het muntwezen van Nederlandsch-Indië, Amsterdam,1851;

Mevius, J., Catalogue of papermoney of the V.O.C., Netherlands East Indies and Indonesia, from 1782 to 1981, Vriezenveen 1981;

Moquette, J.P., De munten van Nederlandsch-Indië, serie artikelen in het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, Batavia 1907-1910;

Netcher, L., en Mr. J.A. van der Chijs, De munten van Nederlandsch-Indië, Batavia 1864;

Potting, C.J.M., De muntvoorziening in Nederlands Indië 1877-1913, Economisch-Sociaal Historisch Jaarboek 50 (1987)111-144;

Scholten, C, De munten van de Nederlandsche gebiedsdeelen overzee 1601-1 948, Amsterdam 1951;

Vissering, G., Muntwezen en circulatiebanken in Nederlandsch-Indië, Amsterdam 1920;

Willinck, G.D., Het Neerlandsch-lndische muntwezen, Leiden 1889.

  • Nederl ind gulden.jpg
  • Nederlands indie gaatjesmunt.jpg
  • Nederlandsch I gouvernemetspapier.jpg
  • Nederlandsch Indie 1 gld 1815.jpg
  • Nederlandsch indie 1 gouverbementsgulden 1943.jpg
  • Nederlandsch indie 1 roepiah 1944.jpg
  • Nederlandsch Indie 2 5 ct 1856.jpg
  • Nederlandsch indie 2ct 1840.jpg
  • Nederlandsch Indie 300 gld.jpg
  • Nederlandsch indie cent.jpg
  • Nederlandsch indie japans bestuur 10 roepiah.jpg
  • Nederlandsch Indie kopercertificaat.jpg
  • Nederlandsch indie kwart gulden 1826.jpg
  • Nederlandsch indie kwart gulden 1854.jpg
  • Nederlandsch indie muntbiljet 1 gld 1920.jpg
  • Nederlandsch indie pemerintha 100 roepiah 1943.jpg
  • Nederlandsch indie ropij 1813.jpg
  • Nederlandsch indie scheepjesgulden 1802.jpg
  • Nederlandsch indie tiende gulden 1855.jpg
  • Nederlandsch Indie twee cent 1833.jpg
  • Nederlandsch indie twintigste gulden 1854.jpg
  • Nederlandsch indie zilverrecepis 100 gld 1846.jpg
  • Nederlansch indie recepis 1 gld zj.jpg
  • Nederlansch indie rondel en munt 5 ct 1911.jpg
  • Nerderlandsch indie bonk 2 stuiver 1818.jpg