Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, de Franse tijd en Willem I

geschiedenis geld, de Franse tijd en Willem I

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, de Noordelijke Nederlanden en geschiedenis geld, de Zuidelijke Nederlanden)

De Franse tijd De Franse revolutie had een aantal ingrijpende gevolgen voor de geldcirculatie, zowel in Frankrijk zelf als in de landen die door het Franse leger veroverd werden. De revolutionaire regering verkeerde in ernstige financiële moeilijkheden, omdat ze weinig belastinggeld binnenkreeg en extra veel uitgaven had. Toen de rentedragende staatsobligaties op basis van in beslaggenomen bezittingen van de adel en de geestelijkheid niet voldoende opbrachten, besloot men tot de uitgifte van papiergeld met de naam assignaten (assignaat), zie de geschiedenis van het papiergeld. De snel aanzwellende hoeveelheid assignaten overstroomde ook de Nederlanden. In het Belgische geannexeerde deel kon men zich hier niet tegen verzetten. In de Republiek probeerde de overheid door de uitgifte van zogenaamde recepissen (recepis) de vloed van assignaten in te dammen. Ook vanuit Frankrijk zag men in dat de assignaten een enorme inflatie veroorzaakt hadden. Om de inflatie af te remmen werd in 1795 besloten tot de invoering van de franc als nieuwe munteenheid en werd de uitgifte van nieuwe assignaten nog in hetzelfde jaar gestaakt. Ze bleven echter wel in omloop.

In 1795 werd ook de Republiek door de Fransen bezet. Onder de naam van Bataafse Republiek behield het tot 1806 een schijnonafhankelijkheid. Behalve een serie proef munten uit 1800 bleef men aanmunten volgens de muntwetten van voor 1795.

In 1806 werd de Bataafse Republiek vervangen door het koninkrijk Holland (Holland, koninkrijk onder Lodewijk Napoleon. Deze concentreerde de muntslag in Utrecht dat een van de weinige goed ingerichte munthuizen was met een omvangrijke productie. Er kwam een nieuwe serie gouden en zilveren munten met het portret van de nieuwe koning. Alleen het vijftigstuiverstuk heeft werkelijk gecirculeerd. Onder dwang van zijn broer Napoleon deed Lodewijk Napoleon in 1810 afstand van zijn troon en werd Holland ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Hierbij bleven een aantal Hollandse instellingen betrekkelijk zelfstandig voortbestaan. Het munthuis te Utrecht bijvoorbeeld, bleef in tegenstelling tot het munthuis te Brussel wel bestaan en functioneerde nu als één van de keizerlijke muntateliers.

Eenheid onder Willem I Na de val van Napoleon besloten de grote mogendheden dat de Franse noordgrens afgegrendeld diende te worden met een sterke eenheidsstaat. In 1815 werd daarom het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) gesticht, bestaande uit de voormalige Oostenrijkse Nederlanden, het prinsbisdom Luik en de Republiek. Koning werd Willem I, de oudste zoon van Willem V, de laatste stadhouder van de Republiek. Willem I voerde een voortvarend beleid op het gebied van handel en economie. Op zijn initiatief en met zijn financiële steun werden De Nederlandsche Bank in 1814 opgericht en in 1822 de Algemene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt (de latere Société Générale). Beide instellingen mochten bankbiljetten uitgeven en gouden munten laten slaan. Ook de oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in 1824 heeft veel bijgedragen tot de ontwikkeling van de economie in Noord en Zuid.

Op andere terreinen was de politiek van Willem I minder gelukkig. Hij slaagde er niet in de oude tegenstellingen tussen de twee rijksdelen te laten verdwijnen. In 1830 werd het nog jonge koninkrijk in tweeën gesplitst.

Op het gebied van het muntwezen volgde Willem I voor een groot deel het Franse model. Dit hield in dat er een dubbele standaard kwam met een vaste waardeverhouding tussen goud en zilver en dat het decimale stelsel ingevoerd werd samen met de gram als massa-eenheid. Volgens de wet van 1816 werd de munteenheid de gulden, onderverdeeld in 100 cent (afgeleid van het Franse centime). Er kwamen standaardmunten van goud en zilver met een onderling vaste verhouding: een gouden munt van 10 gulden (later aangevuld met een vijfguldenstuk), en zilveren munten van 3, 1 en 1/2 gulden. Daarnaast werden er pasmunten gemaakt van zilver en koper.

Als basis gold een gulden van 9,613 gram fijn zilver. Dit was niet veel minder dan de zilverinhoud van de oude gulden van de Republiek. Bovendien kwam de waarde van de nieuwe gulden zeer dicht in de buurt van de wisselgulden van de Zuidelijke Nederlanden. Hierdoor hoopte men zowel tegemoet te komen aan de restauratiegedachte in het Noorden als aan de gevoeligheid in het Zuiden, zodat men daar niet zou denken dat de gulden van de Republiek de nieuwe nationale munteenheid werd.

Er kleefden echter twee grote bezwaren aan deze vernuftige oplossing. Het geld in de omloop in het Noorden bestond nog steeds voor een groot deel uit oude afgesleten stukken uit de zeventiende eeuw en overgewaardeerde Zeeuwse rijksdaalders.

Daardoor lag de werkelijke muntvoet lager dan die van de nieuwe gulden en kon deze zich niet handhaven, omdat de nieuwe gulden ten opzichte van het circulerende geld te veel zilver bevatte.

Het tweede bezwaar gold de gelijkstelling met de Zuid-Nederlandse wisselgulden.

Deze bracht de waarde van de Franse frank op 47,25 cent. Omdat de intrinsieke waarde van de nieuwe Nederlandse gulden eigenlijk iets boven de wisselgulden lag, konden de nieuwe guldens met voordeel omgesmolten worden en hermunt tot franken.

Waarschijnlijk heeft de regering daarom de waardeverhouding tussen goud en zilver bewust gesteld op 15,873 : 1. Hiermee werd het goud iets overgewaardeerd vergeleken met het Franse voorbeeld dat vastgesteld was op 15,5 : 1 . Door het goud over te waarderen was omsmelten onvoordelig en konden de gouden tientjes dus wel in omloop blijven. In feite ontstond hiermee een gouden standaard die ook door het buitenland als zodanig herkend werd. De wisselkoers met Engeland bijvoorbeeld, waar men een echte gouden standaard had, was geheel gebaseerd op de gewichtsverhouding tussen de gouden sovereign en het gouden tientje.

In 1825 werd de wettelijke gangbaarheid van het Franse geld afgeschaft. Om voldoende geld in omloop te houden ging men nu ook gouden vijfjes aanmunten. Deze werden hoofdzakelijk in Brussel geslagen, waar sinds 1821 weer een munthuis gevestigd was. Dit gold ook voor de gouden tientjes. Het schaarse zilver werd hoofdzakelijk in Utrecht geslagen.

Een andere manier om toch geld in omloop te houden was het uitgeven van bankbiljetten.

In 1826 kreeg de Société Générale toestemming om biljetten van 10, 5, 3, 2 en 1/2 gulden in omloop te brengen. Dit was nieuw voor West-Europa, waar de bankbiljetten vooral bedoeld waren voor grote transacties. De laagste coupure van de Nederlandsche Bank was bijvoorbeeld 25 gulden.

De muntwet van 1816 bood ook de mogelijkheid tot het laten slaan van gouden dukaten (dukaat) door particulieren. Deze munten werden uitsluitend voor de handel geslagen.

Ze hadden geen nominale waarde en werden tegen dagkoers verhandeld. De dukaten waren erg geliefd in Indië en in Oost-Europa. De behoefte was zelfs zo groot dat men in Warschau en waarschijnlijk in Moskou miljoenen dukaten heeft nageslagen tijdens de regeringsperiode van Willem I.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, Belgische onafhankelijkheid en geschiedenis geld, geldsanering in Nederland.