Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, Belgische onafhankelijkheid

Geschiedenis geld, Belgische onafhankelijkheid

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, de Franse tijd en Willem I)

De Belgische revolutie van 1830 leidde tot de stichting van de nieuwe staat België. De nieuwe koning werd Leopold van Saksen-Coburg die onder de naam van Leopold I in 1831 ingehuldigd werd. Het jaar daarop werd besloten dat de Franse frank de nationale geldeenheid zou zijn. De grondwet van 1831 stelde het Frans en het Nederlands aan elkaar gelijk, maar de keuze voor de Franse franc zorgde er bijna vanzelf voor dat er op de eerste Belgische munten alleen de Franse taal werd gebruikt.

Pas in 1886 kwamen de eerste Nederlandstalige munten. Tegenwoordig worden er van elke denominatie evenveel Frans- als Nederlandstalige exemplaren geslagen.

Er werd tot 1847, evenals in Nederland, weinig zilver aangemunt en in het geheel geen goud zodat de circulatie voornamelijk uit Franse zilverstukken bestond waarvan er juist wel veel geslagen werden. In 1847 veranderde de Belgische regering eenzijdig de waardeverhouding tussen goud en zilver van 15,5 :1 naar 15,8 :1.Men hoopte door deze overwaardering van het goud over te kunnen gaan tot de aanmunting van gouden munten. Er zijn inderdaad tussen 1848 en 1850 op zeer beperkte schaal gouden munten geslagen. Ondanks de dalende goudprijzen die een hoge productie mogelijk maakten, mislukte dit experiment omdat de Franse regering ernstige bezwaren maakte tegen de verstoring van haar muntwezen en met economische sancties dreigde. Overigens had men in België om conflicten te vermijden voor denominaties gekozen die niet in Frankrijk voorkwamen: 25 en 10 frank. Frankrijk begon in 1850 zelf overvloedig tienfrankstukken te slaan en ook de productie van de andere gouden munten werd enorm opgevoerd, zodat ertussen 1850 en 1864 voor meer dan viermiljard frank aan goud werd aangemunt.

Een tweede Belgische poging om zich monetair los te maken van Frankrijk vond plaats in 1850. De regering ging over op de zilveren standaard en verbood de circulatie van het Franse goud. Om deze maatregel te ondersteunen begon de in 1851 opgerichte Nationale Bank van België direct met de uitgifte van kleine coupures bankbiljetten om het publiek een redelijk alternatief te bieden. De maatregelen hadden weinig succes omdat men niet bij machte was het publiek, tegen de Franse politiek in, voor zilver te laten kiezen. Door de ontdekking van nieuwe goudvelden in Californië en Australië daalde de goudprijs en werd het zilver relatief te duur om naast goud in circulatie te blijven. In 1861 werd het verbod op de Franse goudstukken ingetrokken en in 1864 begon men ook in België een regelmatige muntslag van gouden munten volgens de Franse normen.

Op het gebied van het kleingeld was de Belgische staat in het begin ook niet gelukkig.

De koperen 5 en 10 centiemstukken waren zwaarder dan de overeenkomstige Franse munten, waardoor ze door het publiek minder graag geaccepteerd werden.

In 1861 loste men dit probleem op door als een van de eerste landen over te gaan op munten van koper-nikkel voor de lagere waarden.

De Latijnse Muntunie De Belgische regering zag in dat men zich niet eenzijdig met de positie van de frank kon bezighouden. Daarom zocht men contact met Frankrijk om degelijke monetaire afspraken te maken. Dit resulteerde in 1865 in de oprichting van de Latijnse Muntunie waaraan deelgenomen werd door Frankrijk, België, Zwitserland en Italië. Drie jaar later sloot ook Griekenland zich hierbij aan. Men bleef zich baseren op het systeem van de Franse frank hoewel de dubbele standaard steeds meer ging lijken op een enkele gouden standaard, omdat na 1874 bijna geen zilver meer aangemunt werd om de muntvoet te beschermen tegen de dalende zilverprijs. Vanaf 1878 was het zelfs binnen de Latijnse Muntunie verboden om grote zilveren munten te laten slaan.

De munten van de partners van de Latijnse Muntunie waren officieel geen wettig betaalmiddel buiten het eigen land, maar ze werden wel overal in betaling aangenomen.

Dit gold ook voor de openbare kassen.

Frankrijk droomde ervan de Latijnse Muntunie uit te breiden tot een Wereld Muntunie.

In 1867 organiseerde ze een internationale muntconferentie waaraan 19 Europese landen en de Verenigde Staten van Amerika deelnamen. De conferentie kon echter niet tot besluiten komen, omdat vooral Engeland (Groot-Brittannië), Nederland en de Duitse staten geen behoefte hadden hun eigen geldstelsel op te geven. Toch is de invloed van de Latijnse Muntunie zeer groot geweest, omdat ook landen die formeel niet aangesloten waren, hun muntwezen hierop afstemden. Hiertoe behoorden onder andere Spanje, Roemenië, Bulgarije, Servië en een aantal Zuid-Amerikaanse staten. De Latijnse Muntunie verloor na 1878 sterk zijn betekenis en viel in feite al uiteen voor de Eerste Wereldoorlog. Dit wordt het beste geïllustreerd door de houding van de Nationale Bank van België vlak na 1900 (het citaat is afkomstig van professor Valéry Janssens, eerste adviseur Departement Studiën Nationale Bank van België): "De Nationale Bank van België zelf stelde vanaf het einde van de negentiende eeuw allerlei belemmeringen aan de inwisseling van haar biljetten in zilveren vijffrankstukken, vooral wanneer ze vermoedde dat het zilver bestemd was voor uitvoer naar Frankrijk in het raam van een speculatie op de wisselkoers... Om de opvragingen te ontmoedigen gaf ze ook opdracht verzoeken tot inwisseling in de agentschappen pas na 48 uur in te willigen, wat statutair toegelaten was, en de stukken een na een op tergend trage wijze neer te tellen, in plaats van ze af te leveren in zakken van 5.000 stukken." Formeel kwam het einde van de Latijnse Muntunie echter pas in 1925.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, geldsanering in Nederland en geschiedenis geld, kleingeld.