Ga naar: navigatie, zoeken

Groot-Brittannië

Groot-Brittannië, officieel: het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, kwam in 1707 tot stand door de unie van Engeland (en Wales) met Schotland.

In 1800 werd Ierland in de unie opgenomen. De Ierse Vrijstaat maakte zich hiervan los in 1921. Tot 1707 zijn er afzonderlijke muntstelsels geweest in Engeland en Schotland. De muntslag voor Ierland is altijd heel beperkt geweest en verdween geheel in 1823.


1. Engeland tot 1707

De oudste muntslag in Engeland dateert van vóór de Romeinse tijd.

Diverse Keltische stammen sloegen rond 100 v. Chr. munten in goud, zilver en diverse onedele legeringen.

Daarvóór werden op beperkte schaal munten van naburige Keltische stammen op de Kanaaleilanden en van het vasteland van Europa ingevoerd. Met de komst van de Romeinen in het midden van de 1e eeuw na Chr., werden er ook Romeinse munten ingevoerd, die aanvankelijk naast de inheemse munten circuleerden. In 61 werd de lokale muntslag verboden en circuleerde er tot in de 5e eeuw uitsluitend Romeins geld. Van 286-326 was er een Romeins munthuis gevestigd in Londen (van 383-388 nog een keer onder de naam AVGVSTA). In 411 trokken de Romeinse troepen weg.

In de loop van de 5e en 6e eeuw vestigden de Angelsaksen hun gezag.

Na een beperkte aanmunting van goud werden er vanaf het einde van de 7e eeuw uitsluitend zilveren munten geslagen, die nu sceatta wordt genoemd. In de tweede helft van de 8e eeuw werden de kleine, dikke sceatta's opgevolgd door de grotere en dunnere penny naar Karolingisch voorbeeld. Deze penny die in tientallen munthuizen werd geslagen, bleef bijna vijf eeuwen de enige denominatie. Ondanks het grote aantal munthuizen was er sprake van centralisatie die tot uiting kwam in de centrale stempelvervaardiging en de centraal geregelde periodieke typewisseling sinds het derde kwart van de 10e eeuw. Na de Normandische verovering in 1066 werd het geldstelsel niet noemenswaardig veranderd.

Alleen het aantal munthuizen werd geleidelijk teruggebracht, waarbij Londen het belangrijkste bleef. In de 12e eeuw werd de Engelse penny onder de naam sterling een belangrijke handelsmunt voor West-Europa, die ook veelvuldig werd geïmiteerd.

De overgang in 1247 bijvoorbeeld van het korte kruis op het lange kruis op de kz van de Engelse pennies om snoeien te voorkomen, werd vrij spoedig nagevolgd op de Nederlandse sterlingen en penningen.

In 1257 werd, in navolging van de Florentijnse gulden, een gouden munt van twintig pence ingevoerd,. die echter geen succes werd. Omvangrijke goudaanmunting vond pas plaats na de invoering van de nobel van 1/3 pond in 1344.

Een meer succesvolle vernieuwing was de invoering van de groat van vier pence in 1279, in navolging van de Franse groot. Tegelijkertijd werden ook munten van een halve en een kwart penny farthing ) ingevoerd. Tot die tijd was het gebruikelijk om de pennies in tweeën of vieren te knippen.

In 1465 werd de nobel vervangen door de ryal of rozenobel van een halve pond en werd de angel (angelot) de nieuwe munt van 1/3 pond. Van deze twee nieuwe gouden muntsoorten werd vooral de rozenobel, net als daarvoor de nobel, vrij spoedig in de Nederlanden nagevolgd (Gorinchem). Tijdens de regering van Hendrik VII (1485-1509) werd de muntreeks in 1489 uitgebreid met de gouden sovereign van één pond, waarvan de beeldenaar ontleend is aan de grote gouden reaal van Maximiliaan van Oostenrijk en in de eerste jaren van de 16e eeuw met de zilveren testoon van één shilling, met een portret en profil zoals op de Italiaanse teston.

Tengevolge van de stichting in 1534 van de Anglicaanse kerk door Hendrik VIII (1509-1547) en de opheffing van de kloosters, verdwenen ook de laatste bisschoppelijke munthuizen te Canterbury, York en Durham. Tijdens de regering van Hendrik VIII werd het gehalte van de gouden en zilveren munten tussen 1544 en 1546 enkele malen verlaagd. Zijn opvolger Eduard VI (1547-1553) liet eerst nog munten van laag gehalte slaan op naam van zijn vader, maar hij verhoogde het gehalte weer in 1551 en kwam in dat jaar met een reeks nieuwe zilveren munten: de crown, vergelijkbaar met de daalder, de sixpence (halve shilling) en de threepence.

Aan de onderzijde van de zilveren denominaties verdween de te klein geworden farthing in 1553. Door het huwelijk van koningin Maria (1553-1558) met Philips II in 1554, verscheen diens portret, samen met dat van Maria, op de Engelse hele en halve shilling. Pas tijdens de regering van Elisabeth I (1558-1603) werden de zilveren munten van laag gehalte geklopt en in 1561 uit de omloop genomen.

Tegelijkertijd werden er nieuwe zilveren munten in omloop gebracht van 6, 3, 1½ en 3/4 pence. De laatste droeg de naam van drie farthings.

Om het gebrek aan kleingeld op te heffen, werden er proeven gemaakt voor een koperen halfpenny en een koperen farthing, maar het is nooit tot feitelijke aanmunting gekomen.

Het kleingeld in de circulatie bestond gedeeltelijk uit loden particuliere munten, tokens genaamd. Vanaf 1560 vervaardigde de Fransman Eloye Mestrelle, afkomstig van de Parijse Munt, in de Tower munten met behulp van een schroefpers. Hij werd echter in 1572 van zijn functie ontheven en zelfs in 1578 wegens valsemunterij opgehangen.

Na 1572 werden alle munten weer met de hand met de hamer geslagen. Pas in 1631 werden voor het eerst weer in Engeland machinaal munten geslagen, ook ditmaal weer door een Fransman: Nicholas Briot.

Tijdens de regering van Jacobus I (1603-1625) probeerde men de loden tokens te vervangen door messing tokens van één farthing, die met toestemming van de regering door particulieren werden geslagen.

Tijdens de burgeroorlog aan het einde van de regeringsperiode van Karel I (1625-1649) werd vanaf 1642 een groot aantal nieuwe munthuizen geopend en werden in diverse steden noodmunten geslagen.

Na de terechtstelling van Karel I in 1649 gaf de Commonwealth onder leiding van Oliver Cromwell tot 1660 een serie gouden en zilveren munten uit met voor het eerst omschriften in het Engels. Aangezien de Commonwealth weinig klein zilvergeld sloeg en zich niet bezig hield met de aanmunting van koper, nam het aantal particuliere tokens van een halve penny en één farthing zeer sterk toe. Daarnaast verschenen er in mindere mate tokens van één penny. Na de dood van Cromwell in 1658 kon het koningshuis in 1660 weer hersteld worden. Tijdens de regering van Karel II (1660-1685) werd definitief overgegaan op machinale muntslag.

De belangrijkste gouden munt werd de guinea, ingevoerd in 1663 met een waarde van één pond, later oplopend tot anderhalve pond in 1694 en tenslotte gefixeerd op 21 shillings in 1717.

Daarnaast werden ook munten van vijf guinea's en een halve guinea geslagen. Van de zilveren munten was de crown met de halve crown de belangrijkste munt. Kleingeld bleef zo goed als geheel een particuliere aangelegenheid.

Voorlopers van papiergeld in Engeland was de goldsmith's note.

In 1694 werd de Bank of England opgericht, die aanvankelijk alleen biljetten boven de 50 pond in omloop mocht brengen, maar reeds in 1695 toestemming kreeg om - vanwege de schaarste aan zilvergeld - ook biljetten van 5, 10 en 15 pond uit te geven en vlak daarna ook biljetten van 1 en 2 pond.


Koningen (vanaf 1066)


Normandische huis

Willem I de Veroveraar 1066-1087

Willem II Rufus 1087-1100

Hendrik I 1100-1135

Stefanus van Blois 1135-1154


Plantagenets

Hendrik II 1154-1189

Richard I Leeuwenhart 1189-1199

Jan zonder Land 1199-1216

Hendrik III 1216-1272

Eduard I 1272-1307

Eduard II 1307-1327

Eduard III 1327-1377

Richard II 1377-1399


huis Lancaster

Hendrik IV1399-1413

Hendrik V1413-1422

Hendrik VI 1e reg.1422-1461

Hendrik VI 2e reg.1470-1471


huis York

Eduard IV 1e reg.1461-1470

Eduard IV 2e reg.1471-1483

Eduard V 1483

Richard III 1483-1485


huis Tudor

Hendrik VII 1485-1509

Hendrik VIII 1509-1547

Eduard VI 1547-1553

Maria I1553-1558

Elisabeth I1558-1603


huis Stuart

Jacobus I (Schotland:VI) 1603-1625

Karel I 1625-1649 (Commonwealth)1649-1660

Karel II 1660-1685

Jacobus II 1685-1688


huis Oranje

Willem III en Maria 1689-1695

Willem III 1695-1702


huis Stuart

Anna 1702-1714


2. Schotland tot 1707

De Schotse muntslag is altijd sterk beïnvloed geweest door de Engelse.

Het belangrijkste koninklijke munthuis was te Edinburgh gevestigd, hoewel er in de Middeleeuwen, net als in Engeland, een groot aantal kleine ateliers werkzaam is geweest.

De oudst bekende munten zijn pennies naar Engels voorbeeld, geslagen tijdens de regering van David I (1124-1153). Tijdens de regering van David II (1329-1371) werd het aantal denominaties vergroot met onder andere de zilveren groat en de gouden nobel, zes jaar nadat de eerste Engelse nobels waren verschenen.

De Schotse gouden crown of lion, uitgegeven tijdens de regering van Robert III (1390-1406) is niet van een Engelse munt afgeleid.

De muntvoet is in Schotland in de late middeleeuwen en vooral in de 16e eeuw sterk gedaald, waardoor in 1603 het Engelse pond overeenkwam met 12 Schotse ponden en de Engelse penny gelijk was aan één shilling Schots geld.

In 1603 werden Engeland en Schotland in een personele unie verenigd toen Jacobus VI van Schotland als Jacobus I in Engeland opvolgde.

Deze vereniging was de aanleiding om in 1604 in beide landen de gouden unite van één pond Engels uit te geven, waarvan alleen de wapens in beide landen anders waren.

De unite is het voorbeeld geweest voor de Nederlandse gouden rijder van 1606, die precies hetzelfde gewicht en gehalte kreeg. Na de personele unie werden in Edinburgh tot de "Act of Union" van 1707 nog korte tijd eigen munttypen geslagen, tot 1704 met een distel als muntteken en daarna met de letter E onder de buste van koningin Anna (1702-1714). Het munthuis te Edinburg heeft slechts twee jaar de algemene typen van het Verenigd Koninkrijk geslagen. Het werd in 1709 gesloten.

Direct na het openen van de Bank of England besloot het Schotse parlement in 1695 tot de oprichting van de Bank of Scotland, die nog in datzelfde jaar biljetten van 5, 10, 20, 50 en 100 pond uitgaf, enkele jaren later gevolgd door biljetten van één pond. Vanwege de schaarste aan kleingeld was het toegestaan deze biljetten in vieren te delen en ze voor een kwart pond in omloop te brengen.

Zie verder: Schotland.


Koningen

David I 1124-1153

Malcolm IV 1153-1165

Willem de Leeuw 1165-1214

Alexander II1214-1249

Alexander III1249-1286

Margaretha 1286-1290

Jan Baliol 1291-1296

Robert Bruce 1306-1329

David II Bruce 1329-1371


huis Stuart

Robert II Stuart 1371-1390

Robert III 1390-1406

Jacobus I 1406-1437

Jacobus II 1437-1460

Jacobus III 1460-1488

Jacobus IV 1488-1513

Jacobus V 1513-1542

Maria Stuart 1542-1567

Jacobus VI 1567-1625 (zie hierna Engeland)


3. Groot-Brittannië vanaf 1707

Na de vereniging van de beide koninkrijken verdwenen de speciale emissies voor Schotland. Het muntstelsel veranderde niet inhoudelijk en bleef bestaan uit de gouden guinea met zijn veelvouden en onderdelen en in zilver de crown, halve crown, shilling, sixpence, threepence en penny. Daarnaast werden voor ceremoniële doeleinden munten van 4, 3, 2, en 1 penny geslagen (Maundy money). Van het kleingeld werd de halve penny voor het laatst geslagen in 1775.

Door de toenemende industrialisatie steeg de welvaart en daarmee onder andere de behoefte aan kleingeld. Omdat de regering hier onvoldoende op reageerde, verschenen er weer veel tokens in omloop; nu meestal van rood koper en in grotere denominaties dan in de 17e eeuw. In 1797 probeerde de regering de veelvuldig circulerende tokens te laten verdwijnen door de invoering van de grote koperen munten van 1 en 2 pence (cartwheel), in 1799 gevolgd door de halfpenny en de farthing.

Tijdens de Napoleontische oorlogen kwam er tijdelijk een einde aan de aanmunting van goud en zilver, waardoor de bankbiljettencirculatie sterk werd uitgebreid. Daarnaast kwamen er ook geklopte en geheel overgeslagen Amerikaanse pesos ( bankdollar ) in omloop.

In 1816 werd de geldcirculatie gesaneerd en werd de gouden standaard ingevoerd. Het munthuis werd verplaatst van de Tower naar een nabijgelegen gebouw waarin modernere productie met stoommachines mogelijk was. Hier werd in 1817 een nieuwe gouden sovereign van één pond geslagen waarvan de keerzijde met St. Joris en de draak ontworpen was door de Italiaan Benedetto Pistrucci.

Tijdens de regering van George IV (1820-1830) werd het kleingeld gesaneerd en verschenen er kleine koperen munten van één penny, een halve penny en één farthing, met op de keerzijde de aan Romein- se munten ontleende afbeelding van Britannia, de personificatie van Groot-Brittannië.

In 1849 werd een eerste poging tot decimalisering gedaan met de invoering van de zilveren florin van 1/10 pond of twee shillings. De poging had echter geen succes en het muntstelsel bleef in feite tot aan de Tweede Wereldoorlog ongewijzigd.

Daarna verdween het edelmetaal uit de circulatie.

Pas in 1971 werd het muntstelsel gedecimaliseerd en kwam een einde aan de nog uit de Karolingische tijd stammende verdeling van één pond in twintig shilling van elk twaalf pence. Het pond werd nu onderverdeeld in honderd new pence. Om de vernieuwing geleidelijk te laten verlopen, werden de formaten van de bestaande munten van twee (= 1/10 pond) en één shilling (= 1/20 pond) ook gebruikt voor de nieuwe munten van tien en vijf pence zodat deze naast elkaar in circulatie konden blijven.

Voor de nieuwe munten van 50 en 20 pence zijn "rolronde" zevenhoeken, geschikt voor automaten, gebruikt omdat deze stukken beide niet groter konden worden dan de tweeshilling/ 10 pence van 28,5 mm. De nieuwe reeks werd voltooid met de emissie van een pond in nikkelmessing in 1983.

Voor de kz zijn verschillende typen ontworpen met emblemen van de verschillende delen van het Verenigd Koninkrijk. Om de omvangrijke hermunting te kunnen uitvoeren, werd in 1968 een nieuw munthuis geopend te Llantrisant in Zuid Wales.

Papiergeld werd vanaf de 18e eeuw bij gebrek aan een monopolie door enkele honderden banken uitgegeven.

Hieraan kwam gedeeltelijk een einde door de "Peel's act" van 1844 die het onmogelijk maakte om nieuwe emissiebanken op te richten.

Daardoor waren er rond 1900 nog slechts ongeveer zestig emissiebanken actief. De meeste staakten hun activiteiten tijdens de Eerste Wereldoorlog.

In plaats daarvan en ter vervanging van het opgepotte zilvergeld, gaf de regering muntbiljetten uit (treasury note). Thans zijn er alleen nog in Schotland en Noord-Ierland enkele kleine emissiebanken.

Het gebruik van papiergeld is in Groot-Brittannië nooit zo sterk ontwikkeld vanwege het al in de 19e eeuw veelvuldige gebruik van cheques in het betalingsverkeer.

De laatste tien jaar is de papiergeldcirculatie sterk teruggelopen door de snelle toename van het gebruik van credit cards.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werden van 1943-1950 voor de Britse troepen speciale biljetten uitgegeven. De biljetten voor de bezettingstroepen in Duitsland en Oostenrijk dragen de aanduidingen: BRITISH ARMED FORCES en SPECIAL VOUCHER. Zie ook Brits-Indië.


Koningen huis Stuart


Anna 1702-1714


huis Hannover

George I 1714-1727

George II 1727-1760

George III 1760-1820

George IV 1820-1830

Willem IV 1830-1837

Victoria 1837-1901


huis Windsor

Eduard VII 1901-1910

George V 1910-1936

Eduard VIII 1936

George VI1 936-1952

Elisabeth II 1952-heden


Lit.: Brooke, G. C, English Coins, Londen 1932, herdruk derde editie 1966; Dolley, M., Medieval Anglo-Irish coins, Londen 1972; Douglas, J., Scottish banknotes, Londen 1975; Grueber, H.A., Handbook of the coins of Great Britain and Ireland in the British Museum, Londen 1970; Hewitt, V.H., en J.M. Keyworth, As good as gold; 300 years of British bank note design, Londen 1987; Miles, D.M., Bank of England and Treasury Notes 1694-1970, Newcastle upon Tyne 1970; Seaby, H.A. en P.J., Coins of England and the United Kingdom, Londen, verschijnt elk jaar, thans onder redactie van P.F. Purvey; Stewart, I.H., The Scottish Coinage, Londen, 2e druk 1966.



  • Engeland. Hendrik III (1216 - 1272), penny, munter Nicole te Londen, zilver.
  • Groot-Brittannië, 50 pence, 1973, koper-nikkel, geslagen ter gelegenheid van de intrede in de EEG.
  • Groot-Brittannië, Bank of Scotland, biljet van 1 pond, 26 november 1975, papier, 13,4 x 6,6 cm.
  • Eduard VI (1547 - 1553). crown, 1551, zilver, geslagen te Southwark.
  • Groot br eduardusnobel.jpg
  • Groot br florin.jpg
  • Groot br guinea willem III.jpg
  • Groot br halve sovereign 1817057.jpg
  • Engeland, Aethelred II, penny, geslagen 997 - 1003, munter: Godwine te Canterbury.
  • Engeland, Eduard I (1272 - 1307), penny, geslagen te Londen, 1280 - 1281, zilver.
  • Engeland, Philips en Maria (1554 - 1558), sixpence, 1554, zilver.
  • Groot-Brittannië, The Royal Bank of Scotland, biljet van 1 pond, 3 mei 1977, papier, 13,6 x 6,7 cm.
  • Schotland, Jacobus VI (1567 - 1625), 10 shilling, 1599, zilver, met de Schotse distel.
  • Groot-Brittannië, Willem III en Maria (1688 - 1694), 5 guinea, 1691, goud.
  • Groot brittannie 1 penny 1797 cartwheel.jpg
  • Groot brittannie 1 pond 1989.jpg
  • Groot brittannie alpha omega engeland.jpg
  • Groot brittannie angel.jpg
  • Groot brittannie cromwell shilling 1658.jpg
  • Groot brittannie crown george V.jpg
  • Groot brittannie crown Hendrik VIII.jpg
  • Groot Brittannie El II penny 1953.jpg
  • Groot brittannie long cross penny henry iii na 1247.jpg
  • Groot brittannie sovereign 1911.jpg
  • Groot brittannie sovereign elesabeth I.jpg
  • Groot brittannie victoria penny 1848.jpg
  • Groot brittannie willem III van Oranje en Mary 5 guinea 1691.jpg
  • Groot brittannies short cross penny voor 1247.jpg