Ga naar: navigatie, zoeken

Rijder

rijder, verzamelnaam voor diverse muntsoorten.

1. minder gebruikelijke aanduiding voor de Franse gouden franc à cheval (3,88 g, 1,000) ter waarde van 20 sol tournois met in de beeldenaar de koning in toernooikleed en met geheven zwaard te paard, rijdend dus. Werd in 1360 ingevoerd door Jan II de Goede (1350-1364) en is ook nog geslagen onder Karel V (1364-1380).

2. gouden munt van de Bourgondische Nederlanden, ingevoerd in 1434 onder Philips de Goede (1419-1467) (3,63 g, 0,992) met een waarde van 24 stuiver. Op de vz de hertog in toernooikleed en met geheven zwaard te paard, rijdend naar rechts, op de kz het hertogelijk wapen op een gebloemd kruis. De gouden rijders zijn ongedateerd en onderscheiden zich slechts door de titulatuur van de hertog en het teken van het gewest dat voor de muntslag verantwoordelijk was. Geslagen 1434-1437 door Brabant, Vlaanderen, Henegouwen en 1434-1440 door Holland (Holland, graafschap). In het graafschap Bourgondië zijn rijders van hetzelfde type geslagen.

3. gouden munt, zgn. kleine gouden rijder, van Gelderland (Gelderland, gewest), Overijssel en Friesland (3,4 g, 0,875) met een waarde van 3 gulden met op de vz het gekroonde gewestelijke wapen en op de kz een geharnaste ridder met geheven zwaard, naar rechts springend over het gewestelijke wapen. Ingevoerd in 1582 door Gelderland en weldra nagevolgd door Overijssel en Friesland. Geslagen te Nijmegen 1582-1584 (z.j. en met jaartal (15)82), te Zutphen 1582-1583 (met wapen van Zutphen op het dekkleed van het paard), te Harderwijk 1584-1586, te Kampen 1582-1586 (z.j.) en te Leeuwarden met tussenpozen 1582-1599.

4. gouden munt, zgn. grote gouden rijder, van de Republiek (10,00 g, 0,920) met een waarde van 10 gulden 2 stuiver, opgelopen tot 12 gulden 12 stuiver in 1645. Ingevoerd in 1606 op dezelfde voet als de unite van Groot-Brittannië. Op de vz een geharnaste ruiter in toernooikleed met een omhoog geheven zwaard, naar rechts springend over het provinciewapen en het omschrift MO(neta) AUR(ea) PRO(vinciarum) CONFOE(deratarum) BELG(icarum) en de provincienaam. Op de kz het gekroonde wapen van de Staten-Generaal waarboven het jaartal en de spreuk CONCORDIA RES PARVAE CRESCUNT.

Deze werd ingevoerd om de muntmeesters in staat te stellen het veelvuldig aangeboden buitenlandse goud van soortgelijk gehalte te kunnen verwerken, omdat de gouden dukaat met zijn hoge gehalte zich daarvoor niet leende. Is met zeer grote tussenpozen geslagen door Gelderland 1606-1628 (halven tot 1644), Holland 16061632 (halven 1607-1645), WestFriesland 1621-1627 (halven 16211644), Zeeland 1606-1644 (halven 1610-1648), Utrecht 1606-1625 (halven 1607-1644), Friesland 1607-1628 (halven 1620-1644) en Overijssel 1607-1620 (halven 16061616). Zwolle heeft in 1644 eigen enkele en halve gouden rijders geslagen met een iets lager gewicht (9,8 resp. 4,9 g) en gehalte.

5. zelfde muntsoort als de voorgaande, doch van kleiner formaat, maar dikker, machinaal vervaardigd met gemoderniseerde beeldenaars en met kabelrand. Heringevoerd 1749. Op de vz een geharnaste ridder met geheven, doch omlaag gericht, zwaard en gekroond provinciewapen, op de kz de waardeaanduiding 14 - GL ter weerszijden van het wapen.

Om de dukatencirculatie te saneren kregen de burgers de gelegenheid hun gesleten en gesnoeide dukaten aan de landskassen in betaling te geven, waarna het goud werd vermunt tot gouden rijders, die om hun lagere gehalte voor omwerking technisch uitstekend geschikt waren. De nieuwe gouden rijders werden uitsluitend voor rekening van de provinciën geslagen en kregen een vaste koers van 14 gulden.

De aanmuntingen vonden plaats 1749-1751 en 1760-1764 en eindigden definitief door de stijging van de goudprijs boven de vaste koers van 14 gulden, waardoor ze meer de hoedanigheid van sieraad kregen. Het binnengekomen goud werd in de eigen gewestelijke munthuizen verwerkt, doch Overijssel liet op eigen naam te Harderwijk 1760-1761 en Utrecht 1762-1763 munten slaan en Groningen en Ommelanden te Harderwijk. Friesland liet eveneens te Utrecht gouden rijders slaan, maar stelde geen prijs op het gebruik van afzonderlijke stempels: vermoedelijk is de Friese emissie van 1760 herkenbaar aan een geheime punt onder de eerste C van CRESCVNT.

6. zilveren munt van Gelderland, rijderdaalder.

7. zilveren munt van de Republiek, zgn. zilveren rijder of ducaton, ingevoerd in 1659 (32,78 g, 0,941) met een waarde van 63 stuiver. De nieuwe munt moest de plaats innemen van de ducaton (zelfde gewicht en gehalte) van de Zuidelijke Nederlanden. Op de vz een geharnaste ruiter met geheven zwaard, naar rechts springend over het provinciewapen en het omschrift MON(eta) NOVA ARG(entea) PRO(vinciarum) CONFOE(deratarum) BELG(icarum) en de provincienaam. Op de kz het wapen van de Staten-Generaal gehouden door twee leeuwen en het omschrift CONCORDIA RES PARVAE CRESCUNT.

Vanaf 1672 werd geleidelijk de tekening licht gewijzigd. In het tweede kwart van de 18e eeuw kwam machinale vervaardiging op gang op kleiner formaat en met randbewerking. Enkele en halve zilveren rijders zijn van 1659-1798 geslagen door alle provincies (Groningen slechts proeven) en van 1659-1682 door Deventer, Kampen en Zwolle (doch afwijkende omschriften en het stadswapen onder het paard). De zilveren rijder verloor ca. 1685 langzamerhand zijn plaats in het binnenlandse betalingsverkeer, maar werd de belangrijkste exportmunt voor Oost-Indië.

Gedurende de gehele 18e eeuw zijn aanzienlijke hoeveelheden zilveren rijders in de Nederlandse munthuizen besteld door de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC); in de jaren 1728-1741 heeft de Compagnie de zilveren rijders laten voorzien van het VOC-monogram in de cartouche onder het wapen en van een omschrift, waarin zij als besteller wordt genoemd.

8. in Groningen in de 16e eeuw gebruikelijke rekeneenheid van 30 Groningse stuivers, in stadsrekeningen ook wel aangeduid als Emder gulden.

9. benaming voor de Gelderse rijdergulden.

W.

Lit.:

Beuth, L.S., Gouden rijders uit de 18e eeuw, JMP (1954) 34-52;

Gelder, H.E. van, Gouden rijders 1749-1764, JMP (1946/47) 97-110 en (1948) 63;

idem, Gouden rijder van Overijssel, JMP (1954) 95-97;

idem, De munten van "De Liefde", JMP (1969/70) 62-74;

Man, M.G.A. de, De inwisseling der ongerande gouden dukaten in 1760 te Middelburg, JMP (1938) 58-64;

Wiel, H.J. van der, Dukatons en halve dukatons van Utrecht, JMP (1961)43-57;

idem, De gouden rijders van Utrecht 1606-1644, JMP (1969/70) 49-62;

idem, De zilveren rijders van de "Meresteijn", vergaan in 1702, JMP (1981) 47-55.



  • Rijder friesland 1583.jpg
  • Rijder gelderland.jpg
  • Rijder gouden bourgondische nederlanden holland.jpg
  • Rijder holland gouden rijder 1750 nieuw type.jpg
  • Rijder Vlaanderen lod v male.jpg
  • Rijder west friesland halve gouden rijder 1621.jpg
  • Rijder zeeland gouden rijder 1606.jpg
  • Rijder zilveren deventer.jpg
  • Rijder zilveren zeeland 1659.jpg
  • Rijder zwolle halve rijder 1644.jpg