Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, geldsanering in Nederland

geschiedenis geld, geldsanering in Nederland

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, de Franse tijd en Willem I)

De financiële gevolgen van de Belgische opstand deden de staatsschuld in Nederland hoog oplopen. Na het aftreden van Willem I in 1840 werd begonnen met de sanering van de overheidsfinanciën. Toen deze operatie voltooid was, kon men aandacht gaan besteden aan de sanering van de geldomloop die nog steeds voor een groot deel bestond uit oude afgesleten zilveren munten uit de tijd van de Republiek.

De regering besloot alle oude munten tegen nominale waarde in te nemen, waardoor het publiek voor het eerst de kosten van de geldzuivering niet zelf hoefde te betalen.

De onkosten werden geraamd op ongeveer zes miljoen gulden. Dit bedrag werd gedeeltelijk gefinancierd, doordat de Staat zijn aandelen in de Nederlandsche Bank verkocht. De operatie startte in 1845. Al het oude geld moest ingeleverd worden tegen zogenaamde muntbiljetten (muntbiljet) die de status van wettig betaalmiddel hadden. Omdat de bevolking nog steeds zeer afkerig was van het gebruik van papiergeld - de biljetten van de Nederlandsche Bank werden zo goed als niet geaccepteerd - zorgde men ervoor dat de muntbiljetten geheel gedekt werden door goud en zilver dat bewaard werd bij de Nederlandsche Bank. Tijdens het proces van inwisseling en omsmelting besloot men in 1847 over te gaan op de enkele zilveren standaard op basis van de nieuwe gulden van 1840 die net zoveel minder zilver bevatte als nodig was in verband met de werkelijke waardeverhouding tussen goud en zilver. Men had al eerder ingezien dat een enkele standaard beter werkte dan de dubbele standaard. De discussie ging echter tussen het aannemen van de gouden standaard zoals die in Engeland en in feite ook al in Nederland bestond, of het aannemen van een zilveren standaard.

Men besloot tot het laatste, omdat de goudprijs steeds verder daalde (zilver werd dus waardevoller en misschien ook meer waardevast dacht men) en omdat men dan om aan nieuw muntmateriaal te komen alleen het oude geld hoefde om te smelten en op juist gehalte te brengen. Als er overgegaan werd op de gouden standaard, had men het vrijkomende zilver op de vrije markt moeten verkopen om daarmee goud aan te kunnen kopen. Men was terecht bang dat zo een grote goudvraag en zilveraanbod het marktevenwicht ongunstig zou beïnvloeden.

De sanering werd succesvol afgesloten door de gouden tientjes en vijfjes in 1850 de status van wettig betaalmiddel te ontnemen.

Uit het bovenstaande blijkt dus dat de Nederlandse en Belgische regering tussen 1840 en 1850 dezelfde monetaire maatregelen hebben willen nemen: aanpassing van de goud-zilver verhouding (Nederland 1840, België 1847), overgaan op de zilveren standaard (Nederland 1847, België 1850) en goud weren uit de circulatie (beide in 1850), maar dat de uitvoering alleen in Nederland gelukt is, omdat men daar een onafhankelijk geldstelsel had.

De gouden standaard Aan de daling van de goudprijs kwam na 1860 een einde door grotere toevoer van zilver op de wereldmarkt. Hierdoor werd het voor landen met een dubbele standaard weer aantrekkelijk om zilver aan te munten. We hebben al gezien dat dit in de landen van de Latijnse Muntunie inderdaad het geval was en dat men de verslechtering van de muntvoet tegenging door de aanmaak van zilveren munten in 1878 te verbieden.

Ook landen met een enkele zilveren standaard zoals Nederland en de Duitse staten merkten dat de koers van hun munten ten opzichte van bijvoorbeeld Engeland verslechterde.

Direct na de overwinning in de Frans-Duitse oorlog nam het nieuwe Duitse keizerrijk in 1871 de gouden standaard aan. Het goud dat hiervoor nodig was, betaalde Duitsland vooreen groot deel met de oorlogsschatting die Frankrijk als verliezer moest betalen. De Nederlandse regering was bevreesd dat de vrijkomende zilverstroom de zilverprijs nog meer zou laten dalen en besloot in 1873 de vrije aanmunting van zilver te verbieden en ook over te gaan op de gouden standaard. Het parlement begreep niet veel van deze materie en het was bovendien bang dat de eenheid op muntgebied met Indië die sinds 1854 van krachtwas, hierdoor verbroken zou worden. Daarom werd de vrije aanmunting van zilver in 1874 weer hersteld. Ondertussen zakte de zilverprijs steeds verder en konden allerlei speculanten grote winsten behalen door baar zilver om te laten zetten in gemunt zilver. Zo liet ook de Nederlandsche Bank nog in 1874 voor 25 miljoen aan rijksdaalders slaan. Eind 1874 greep de Nederlandse regering in en werd het definitief onmogelijk voor particulieren om zilveren munten te laten slaan. Het jaar daarop werd de gouden standaard ingevoerd met het gouden tientje als standaardmunt.

Het zilvergeld waarvan de intrinsieke waarde ver beneden de nominale waarde was gekomen, bleef in omloop als tekenmunt waarmee tot elk bedrag betaald kon worden.

Om het volume van het zilvergeld niet te laten toenemen werd bepaald dat de staat alleen dan nieuwe zilveren munten mocht laten slaan als er een evengrote hoeveelheid zilver ontmunt werd.

In de praktijk bleef de circulatie uit guldens en rijksdaalders bestaan en verdwenen de gouden tientjes in de bankkluizen. Ze werden af en toe alleen voor betalingen naar het buitenland gebruikt. Deze situatie is in Nederland in feite zo gebleven tot de gouden standaard verlaten werd in 1936.

In het buitenland begreep men daardoor niet altijd dat Nederland officieel alleen de gouden standaard had. Nog in 1892 rekende de Oostenrijks-Hongaarse regering Nederland tot de groep van landen waar men een dubbele standaard had.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, kleingeld en geschiedenis geld, Eerste Wereldoorlog en economische crisis.