Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, Eerste Wereldoorlog en economische crisis

geschiedenis geld, Eerste Wereldoorlog en economische crisis

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, Belgische onafhankelijkheid, geschiedenis geld, geldsanering in Nederland en geschiedenis geld, kleingeld)

Al voor de Eerste Wereldoorlog hadden de bankbiljetten reeds in vele landen een centrale plaats veroverd in de geldomloop. Hierbij kwamen in de oorlogvoerende landen nog diverse soorten papiergeld bij, die meestal met de naam noodgeld aangeduid worden. De geschiedenis hiervan is te vinden onder het hoofdstuk PAPIERGELD.

In België slaagde de Rijksmunt er in om haar gehele metaalvoorraad en alle stempels buiten bezet gebied te brengen. Hierdoor ontstond al spoedig gebrek aan pasmunt.

Men probeerde hierin niet alleen te voorzien door de uitgifte van papiergeld, maar ook werden er munten geslagen van zink, omdat dit metaal niet van vitaal belang was voor de oorlogsvoering zoals brons dat gebruikt werd voor munitiehulzen.

Zinken munten kwamen niet alleen in België voor, maar werden ook geslagen in Bulgarije en Duitsland, hoewel men in Duitsland ook ijzer gebruikte en experimenteerde met aluminium.

Vlak na de oorlog was muntslag in België nog niet goed mogelijk. Ook bestond er weinig inzicht in de positie van de frank in de landen van de Latijnse Muntunie. Na 1920 verschenen er in Frankrijk, België en Italië munten van onedel metaal met het opschrift "goed voor 1 frank", respectievelijk lire, waarmee duidelijk de onzekerheid uitgedrukt werd. In 1926 werd met de zogenaamde stabilisatiewet de positie van de nu Belgische frank ten opzichte van de andere munteenheden geregeld. De nieuwe eenheid belga (= 5 frank) die bij deze wet behoorde, vond echter weinig ingang zodat de naam frank uiteindelijk gehandhaafd bleef. De belga werd wettelijk wel aan een bepaalde hoeveelheid goud gekoppeld, maar men ging niet daadwerkelijk over tot het slaan van gouden munten. Ten gevolge van de crisis werd de goudwaarde van de belga in 1935 verlaagd en vrij snel daarna afgeschaft. De eenheid belga verdween officieel in 1946.

In Luxemburg moest men zich ook heroriënteren na de Eerste Wereldoorlog. Men besloot in 1922 tot een economische unie met België, waardoor de Belgische munten en bankbiljetten ook hier wettig betaalmiddel zijn.

Nederland bleef neutraal in de Eerste Wereldoorlog. Toch moest men ook hier tijdelijk de gouden standaard opschorten hoewel de kluizen van de Nederlandsche Bank zich steeds meer met goud vulden. De edelmetaalvoorraad groeide ten gevolge van de toegenomen export naar en de verminderde invoer uit de oorlogvoerende landen van ongeveer 170 miljoen gulden in 1914 tot 600 miljoen gulden in 1917, omdat de meeste handelspartners in goud moesten betalen. Aangezien veel bedrijven geen nieuwe voorraden konden inkopen, leek de situatie het meest op een nationale uitverkoop.

Het vertrouwen in de bank was zo groot dat veel mensen hun vermogen liever in bankbiljetten thuis hadden dan in goud. Toen het monetaire verkeer weer gestabiliseerd werd, ging Nederland weer volledig op de gouden standaard over. Tijdens de oorlog was er wel een tekort aan zilvergeld. Dit werd aangevuld met papiergeld met de naam zilverbons. Door de stijging van de zilverprijs moest men tot verlaging overgaan van het gehalte van de gulden om aanmunting na de Eerste Wereldoorlog weer mogelijk te maken. Omdat het voordelig was om de oude guldens en rijksdaalders te laten inwisselen, had men een nieuwe beeldenaar nodig om de nieuwe guldens van 1922 met het lage gehalte zeer snel te kunnen herkennen. Door de gestegen zilverprijs vond men het ook weer verantwoord om in 1929 voor het eerst sinds 1874 rijksdaalders te laten slaan. De oplage van 100.000 stuks rijksdaalders met het "kroningsportret" van Wilhelmina uit 1898 was te klein om de circulatie te beïnvloeden. Deze munt is waarschijnlijk alleen geslagen om over een complete serie munten met het nieuwe portret te kunnen beschikken.

Door de invoering van de nieuwe zilveren guldens waren er nu al vier portretten van Wilhelmina in dertig jaar verschenen. Tijdens de crisis hield men in Nederland bewust de waarde van de gulden zo lang mogelijk stabiel. Hierdoor was Nederland het een na laatste land dat de gouden standaard opgaf in 1936. Alleen Zwitserland hield vol tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, Tweede Wereldoorlog en daarna.