Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, Tweede Wereldoorlog en daarna

geschiedenis geld, Tweede Wereldoorlog en daarna

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, Eerste Wereldoorlog en economische crisis)

De Tweede Wereldoorlog begon voor België en Nederland met de Duitse inval in 1940. De bezetting en de economische uitbuiting door de Duitsers ontwrichtten ook het gehele geldverkeer. Duitse bankbiljetten en munten werden wettig betaalmiddel en Nederland maakte nu, evenals weer België, kennis met het zinken oorlogsgeld.

Alle andere munten moesten worden ingeleverd waarbij een uitzondering werd gemaakt voor numismatische verzamelingen. In België wist men met succes de Duitse biljetten ongeldig te laten verklaren. Hier wist men nog goed welke problemen dit in de vorige oorlog had gegeven.

Nog tijdens de oorlog begon men na te denken over het herstel van de monetaire systemen na de oorlog. In 1943 verschenen in Engeland en in de Verenigde Staten voorstellen die leidden tot de conferentie van Bretton Woods in 1944 en de instelling van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Het IMF legde de onderlinge wisselkoersen van de nationale munteenheden vast, stelde kredieten beschikbaar en kreeg het recht de internationale goudprijs vast te stellen. Ondanks de bemoeienissen van het IMF traden er na 1960 een aantal spectaculaire devaluaties op en raakte de vrije goudmarkt sterk uit zijn evenwicht. In 1968 werd de officiële goudprijs, die nog steeds 35 dollar per ounce bedroeg, verlaten omdat de marktprijs hoger lag.

Men probeerde nog enige jaren de koppeling tussen de dollar en het goud vast te houden tot in 1973 de centrale banken van de leden van het IMF besloten geen goud op de vrije markt meer te kopen of te verkopen. Sindsdien vervult de Amerikaanse dollar een centrale rol. De onderlinge wisselkoersen worden nu door economische factoren en monetaire afspraken bepaald. In de praktijk valt te constateren dat er ook veel psychologische factoren een rol spelen zoals blijkt uit de grote koersveranderingen van de dollar ten opzichte van de andere valuta's in 1985.

Na de oorlog kon België nog in 1944 de geldomloop saneren. Men begon met de bankbiljetten en liet de munten voorlopig ongemoeid.

In 1948 begon men weer een serie zilveren munten te slaan van 20, 50 en 100 frank.

De denominaties van 1 en 5 frank werden van kopernikkel gemaakt en de overige van brons. De kleinste muntwaarden van 5 en 10 centiem verdwenen vanwege de inflatie.

Het zilver werd na 1954 niet meer aangemunt en verdween in 1967 definitief uit de circulatie.

In Nederland besloot men wel in het begin meteen aandacht aan de munten te besteden.

Men had in de Verenigde Staten voor ongeveer 200 miljoen gulden zilveren munten laten slaan die meteen in de bevrijde gebieden in circulatie gebracht zouden worden. Omdat overeengekomen was dat de benodigde hoeveelheid zilver binnen vijf jaar weer aan de Verenigde Staten teruggegeven zou worden en omdat men vreesde dat de zilverprijs verder zou stijgen, mislukte de operatie en werd de partij, die slechts voor een zeer klein gedeelte in omloop was geweest, weer teruggestuurd.

Daarna concentreerde men zich in Nederland ook op de bankbiljetten en volgde de sanering van het muntgeld enige jaren later. In 1948 kwam er een nieuwe muntwet met een nieuwe serie munten van 1 cent tot aan een kwartje. De laatste twee munten van de reeks, de gulden en de rijksdaalder, wilde men uit traditionele overwegingen het liefst dezelfde specificaties geven als voor de oorlog. Door het prijsniveau van het zilver konden ze voorlopig echter niet worden aangemunt.

Het kwartje en het dubbeltje werden in nikkel uitgevoerd en de stuiver en de cent werden van brons gemaakt. Om het onderscheid met de buurlanden zo groot mogelijk te maken, heeft men in Nederland voor zuiver nikkel gekozen en niet voor de legering kopernikkel. Nikkel is vanwege de grote hardheid moeilijker te vermunten maar heeft als voordeel dat het te magnetiseren is. Dit laatste speelt een rol in de geldverwerking door automaten.

De beeldenaar van de munten werd ook veranderd. Voortaan kwam het portret van de vorst op alle munten te staan.

Een aantal denominaties verdween: de bronzen halve en de 2 ½ cent, de zilveren halve gulden en de gouden munten van 5 en 10 gulden. De halve cent was door de stijging van het prijsniveau onnodig geworden en de 2 ½ cent verdween, omdat daar geen behoefte meer aan was, omdat alle prijzen nu in hele centen uitgedrukt werden.

Er was ook geen vraag meer naar halve guldens. Deze munten werden hoofdzakelijk naar Nederlandsch-Indië verscheept. Hieraan kwam een einde door het zelfstandig worden van deze kolonie na de Tweede Wereldoorlog. Tenslotte was er door het afschaffen van de gouden standaard geen behoefte meer aan gouden munten voor de circulatie.

Door de invoering van de nieuwe reeks kon in 1952 het zinken oorlogsgeld geheel uit de circulatie genomen worden. In 1954 dacht men dat de tijd weer rijp was voor zilveren guldens. De munten werden wel kleiner en lichter dan men in 1948 van plan was geweest. De rijksdaalders volgden in 1959.

Prijsstijgingen zorgden er echter voor dat reeds in 1967 het zilver door nikkel vervangen moest worden.

In 1970 verscheen de Eerste Nederlandse herdenkingsmunt. In tegenstelling tot onder andere België en Duitsland, waar al een lange traditie op dit gebied bestond, is men in Nederland altijd erg huiverig voor het verschijnsel herdenkingsmunt geweest.

Wel durfde men het aan om voor een revolutionair en sterk ontwerp te kiezen toen door de troonsbestijging van Beatrix nieuwe beeldenaars nodig werden.

Nieuwe muntseries Het Nederlandse muntstelsel heeft sinds de muntwet van 1948 tot aan de invoering van de euro weinig veranderingen doorgemaakt als men de uitbreiding van de reeks met de verzamelaarsdenominaties (verzamelaarsmunten) van 10 en 50 gulden even buiten beschouwing laat. Alleen aan de onderkant van de reeks verdween de cent, omdat de aanmunting te kostbaar was en er steeds meer centen uit de omloop verdwenen. Het nieuwe ontwerp van de beeldenaars laat zeker denominaties tot 100 gulden toe. Het probleem zit hem echter in het zoeken naar voldoende onderscheid tussen de verschillende muntstukken. Dit kan het beste worden toegelicht aan de hand van de moderne Belgische muntreeks.

Door de stijging van het algemene prijsniveau ontstaat er minder behoefte aan de kleinste denominaties en meer behoefte aan grotere. De waarden in de muntreeks komen hierdoor hoger te liggen. Direct na de Tweede Wereldoorlog verdwenen de waarden van 5 en 10 centiem, gevolgd door de 20 centiem in 1963.

Daarvoor in de plaats kwam een nieuw 25 centiemstuk dat op zijn beurt verdween na 1975. Aan de bovenkant van de reeks ontstonden nieuwe muntwaarden van 10 en 20 frank in 1969 en 1980. De munt van 20 frank kwam in de plaats van het biljet van dezelfde waarde. Het publiek sprong namelijk niet zo zachtzinnig met het kleinste biljet om, waardoor de gemiddelde levensduur beperkt bleef tot ongeveer drie maanden.

Om het onderscheid tussen de nieuwe en de bestaande munten zo groot mogelijk te maken koos men voor de volgende oplossingen: het oude zinken 25 centiemstuk dat in 1963 nog geslagen werd met het jaartal 1946, was veel te groot in vergelijking met nieuwere munten. Het nieuwe 25 centiemstuk werd zelfs kleiner dan het oude 20 centiemstuk. Deze verkleining was mogelijk door de munt een afwijkende kleur te geven: zilverkleurig kopernikkel tegenover de bronzen 20 centiem.

Het 10 f rankstuk werd wel iets groter dan het bestaande 5 f rankstuk, maar het verschil zit ook hier hoofdzakelijk in de kleur, omdat het zuivere nikkel van de 10 frank in de praktijk lichter blijft dan het koper-nikkel van de 5 frank.

Het 20 frankstuk kon moeilijk weer groter worden dan het 10 f rankstuk (het publiek klaagde ook al over het formaat van het 10 frankstuk), omdat men dan boven de 30 mm zou uitkomen. Daarom heeft men voor een kleiner formaat gekozen met een afwijkende lichte bronskleur en heeft men de munt ook iets dikker gemaakt.

In 2002 werd de euro ingevoerd.