Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, Romeinen

geschiedenis geld, Romeinen

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, de eerste munten)

De Romeinen hebben een eigen monetaire ontwikkeling doorgemaakt (Romeinse rijk, Romeinse muntwezen en Romeinse muntplaatsen. Hier was al een traditie van primitief kopergeld toen men rond 280 voor Christus voor het eerst zware koperen munten ging gieten, de zogenaamde aes grave, gebaseerd op het Romeinse pond van 327 gram. Pas ongeveer 200 voor Christus werd het zilvergeld belangrijker.

De vele oorlogen van de Romeinen veroorzaakten een grote inflatie. Rond 200 voor Christus woog de aes of as nog maar ongeveer 25 gram. Rond 210 voor Christus werd de zilveren denarius ingevoerd. Deze munt bleef eeuwenlang de belangrijkste Romeinse munt, hoewel het Romeinse geldstelsel gebaseerd bleef op de koperen as en later op de koperen sestertius. Keizer Augustus voerde rond het begin van onze jaartelling een uitgebreide muntreeks van goud, zilver en koper in, dat tot in de derde eeuw na Christus in grote lijnen ongewijzigd bleef.

In het uitgestrekte Romeinse Rijk was er geen sprake van een uniform gebruik van munten. Vooral op het platteland waren bijna geen munten in omloop. Hier overheerste nog de ruilhandel. In de stedelijke gebieden bestond er wel een beperkte geldeconomie, zoals uit de literatuur en uit de muntvondsten blijkt.

In de derde eeuw na Christus had het Romeinse geldwezen ernstig te lijden van inflatie.

Er kwamen verzilverde koperen munten in de circulatie, waardoor het zilver uit het betalingsverkeer verdrongen werd. De gouden aureus kon zich nog een tijd lang staande houden, maar in 313 werd deze door keizer Constantijn de Grote vervangen door de lichtere solidus. Naast de gouden solidus werd er in de vierde eeuw hoofdzakelijk (verzilverd) koper aangemunt.

Banken Het bankwezen in de Griekse en Romeinse tijd ontwikkelde zich op dezelfde wijze als in Babylon, met als belangrijk verschil dat de transacties in geldsommen konden worden genoteerd. Als gevolg van het feit dat er in en buiten het Romeinse rijk veel verschillende geldsystemen voorkwamen, ontstond het beroep van geldwisselaar.

Deze wisselaars namen al snel de functie van bankier op zich door geld dat in bewaring was gegeven weer uit te lenen.

Een voorloper van het bankbiljet vinden we in Egypte waar het bankwezen zich steeds verder ontwikkeld had. Er is een papyrus uit de eerste eeuw voor Christus bewaard gebleven, waarop een lening is uitgeschreven zonder dat de uitlener met name genoemd wordt. Het is zeer waarschijnlijk dat dit stuk papyrus van hand tot hand ging, totdat de inner van de schuld zijn naam invulde en het geld op de vervaldag opeiste.

Ook de Romeinen werkten veel met leningen. Toen Plinius de Jongere (61-114) een landgoed wilde kopen, schreef hij aan een vriend dat hij het geld bijeen zou brengen door zijn uitstaande leningen te innen en een greep te doen in de geldkist van zijn schoonmoeder.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, middeleeuwen.