Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, middeleeuwen

geschiedenis geld, middeleeuwen

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, Romeinen)

In 402 trokken de Romeinen zich geheel terug uit het westen en werd de Rijn definitief opgegeven als noordelijke grens. Hiermee kwam er geleidelijk een einde aan het gebruik van geld in oxnze gebieden. De stedelijke centra raakten ontvolkt en men trok zich meer terug op het platteland in de veiliger bescherming van de hofsteden.

De volksverhuizing maakte de weg vrij voor de opkomst van nieuwe vorstendommen die elkaar bestreden, samengevoegd werden en weer uiteen vielen. In deze onzekere tijden viel men weer terug op ruilhandel. Voor de handel en voor schatvorming werden er in onze gebieden nog slechts op beperkte schaal gouden tremisses geslagen naar Romeins en Byzantijns voorbeeld; Merovingische munten. De vorsten konden of wilden vanaf ongeveer 600 niet meer verantwoordelijk zijn voor de muntslag, want op de munten verschenen alleen de naam van de monetarius, de functionaris die verantwoordelijk was voor de muntslag, en de plaats van uitgifte.

Na 670 werd alleen zilver gebruikt voor de vervaardiging van munten die de naam van denarius kregen, net als indertijd de belangrijkste Romeinse zilveren munt. De Nederlandse naam voor denarius is penning.

Karolingers In de achtste eeuw verkreeg de dynastie van de Karolingers de macht over het Frankische rijk. Vooral onder Karel de Grote (768-814) werd het gebied uitgebreid, totdat het behalve het huidige Frankrijk, de Benelux en Duitsland ook het noorden van Italië omvatte. De Karolingers beschouwden de muntslag als een koninklijk recht. Deze visie is zichtbaar op de munten: de vorstennaam verschijnt weer op de zilveren penningen; zie Karolingische muntslag. Karel de Grote voerde rond 790 een munthervorming in, die eeuwenlang van grote invloed zou blijven op het muntwezen in Europa. De basis voor het Karolingische muntstelsel was het Karolingische pond van 409 gram. Uit 1 pond zilver sloeg men 240 penningen die dus ongeveer 1,7 gram wogen. Twaalf penningen waren gelijk aan 1 solidus of schelling. In de boekhouding werd het woord pond al spoedig gebruikt om 240 penningen aan te duiden, zodat men beschikte over een rekenkundige indeling van 1 pond = 20 schellingen = 240 penningen. In Groot-Brittannië bleef dit rekenstelsel tot 1970 in gebruik.

Overal in het Karolingische rijk, van Narbonne tot Nijmegen en van Rouen tot Salzburg, waren dezelfde penningen in omloop. Een van de belangrijke muntplaatsen was Dorestad, het huidige Wijk bij Duurstede, dat op de splitsing van twee van de belangrijkste West-Europese handelsroutes lag: de Rijn en de vaarroute naar Scandinavië via de Vecht en de Wadden.

In de loop van de negende eeuw viel het Karolingische rijk uiteen. Invallende Noormannen, Slaven en Moslims verlamden met hun plundertochten het functioneren van de toch al los georganiseerde overheid, waardoor de bescherming van de handel wegviel. De strooptochten van de Noormannen zijn samen met het onbruikbaar worden van de noordelijke Rijnarm waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak geweest van de ondergang van Dorestad na 860 als handelscentrum en muntplaats.

Rond de Middellandse Zee bleef men wel regelmatig aanmunten. Al sinds de Romeinse tijd stroomde edelmetaal in de vorm van munten van west naar oost als betaling voor verfijnde Oosterse producten. De Byzantijnse gouden solidus was hiervoor de universele handelsmunt die overal geaccepteerd werd. Deze munt werd veel geïmiteerd zolang men in Europa nog over goud beschikte. Na de triomf van de Islam in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Spanje in de zevende eeuw, begonnen de Arabieren eigen Islamitische munten te slaan en nam de gouden dinar gedeeltelijk de plaats van de solidus in.

Omstreeks het jaar 1000 was de grootste onrust in Europa voorbij en begon de handel ook in West-Europa weer te bloeien. Met uitzondering van Vlaanderen en Artesië behoorden de Nederlanden nu tot het Duitse keizerrijk (Roomse Rijk) dat ontstaan was uit de voortdurende delingen van het verzwakte Karolingische rijk. Door het ontbreken van een krachtig centraal gezag stelden de lokale edelen zich zeer zelfstandig op en sloegen ook hun eigen munten. Deze penningen die vanaf ongeveer 1000 geslagen werden, verschilden onderling zeer en hadden alleen de naam gemeen. De muntslag werd uitbesteed aan een muntmeester die een deel van de winst aan de muntheer moest afdragen. Hierdoor kregen de bisschoppen, hertogen en graven een direct belang bij de muntslag. Bij gebrek aan zilver verlaagde men daarom regelmatig het gewicht van de munten, waardoor men door omsmelten en hermunten uit dezelfde hoeveelheid zilver meer munten kon slaan en de vorst steeds nieuwe inkom- sten uit de muntslag kreeg. Omdat elke vorst een eigen muntpolitiek voerde, verdween daardoor het uniforme karakter van de muntslag in West-Europa. Alleen de Engelse penning of sterling is in deze periode behoorlijk op gewicht gebleven.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, middeleeuwen, economische bloei.