Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, middeleeuwen, economische bloei

geschiedenis geld, middeleeuwen, economische bloei

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, middeleeuwen)

Vanaf de elfde eeuw begon de Europese bevolking weer toe te nemen. Na enkele generaties waren de gevolgen duidelijk merkbaar. Nieuwe landbouwgronden werden ontgonnen, steden raakten weer bevolkt en werden nieuw gesticht en de handel bloeide op. Vanaf 1096 zette Europa zelfs de tegenaanval in tegen de Arabieren met de eerste kruistocht.

Deze ontwikkelingen hadden tot gevolg dat er behoefte bestond aan grotere geldstukken dan de sterk in koopkracht gedaalde penningen. Deze behoefte werd het eerste gevoeld in Noord- en Midden-ltalië dat economisch het verst ontwikkeld was.

Vlak na 1200 gaf Venetië de eerste grosso (groot) uit, grote zilveren munten met de waarde van 12 Venetiaanse penningen.

Ongeveer vijftig jaar daarna verschenen erin Florence, Genua en Venetië gouden munten, waarvan de Florentijnse gulden (= gouden) van 240 Florentijnse penningen de bekendste was. Het benodigde zilver kwam voor een groot deel uit de pas ontdekte mijnen in Duitsland en Midden-Europa. Het goud stroomde nu in omgekeerde richting van oost naar west door de toenemende export van goederen als wol, hout en huiden en door de plunderingen tijdens de kruistochten.

De nieuwe munten waren een groot succes in het handelsverkeer, want al spoedig sloegen vele Italiaanse steden hun eigen grote munten en ook aan de andere zijde van de Alpen werden deze munten snel populair. In 1266 liet de Franse koning de eerste eigen gros (= groot) slaan. De eerste groot in de Nederlanden verscheen in Henegouwen in 1284. Deze was een nabootsing van de Franse groot. De eerste Nederlandse guldens werden rond 1330 geslagen door Jan III van Brabant (1312-1355).

Het is niet toevallig dat deze grote munten voor het eerst in het zuiden van de Nederlanden werden geslagen. Het economisch zwaartepunt dat in de vroege Middeleeuwen in de Noordelijke Nederlanden lag, verplaatste zich geleidelijk naar het zuiden, met Vlaanderen als centrum. Dit wordt ook door het patroon en de inhoud van de muntvondsten bevestigd.

In de Nederlanden domineerde de zilveren Vlaamse groot, ingevoerd in 1337, gedurende bijna een eeuw het Nederlandse muntwezen. De belangrijkste gouden munt in het westen in dezelfde periode was het schild, een van oorsprong Franse munt die door veel Nederlandse muntheren geïmiteerd werd. In het oosten van de Nederlanden sloeg men liever de kleinere gouden guldens na van de keurvorsten langs de Rijn (rijnse gulden). In de veertiende eeuw was het afgelopen met de economische bloei. Er kon niet voldoende voedsel geproduceerd worden om de toenemende bevolking te voeden.

Hongersnoden, de Pest en verwoestende oorlogen lieten hun sporen na. Veel West- Europese vorsten verloren een groot deel van hun vaste inkomsten. Daardoor werd de muntslag vaak als bron van inkomsten gehanteerd wat een intrinsieke inflatie tot gevolg had, omdat de nieuwe munten minder goud of zilver bevatten.

Door deze inflatie daalde de waarde van de kleinste munten. Omdat er ook munten met een grote koopkracht geslagen werden, ontstond er een gedifferentieerd geldstelsel waardoor men in de steden voor het eerst sinds de Romeinse tijd de dagelijkse boodschappen weer met geld kon betalen. Er waren echter twee grote verschillen tussen het Romeinse geldstelsel en het laat middeleeuwse stelsel. Het Romeins muntwezen was een door de staat volgens een vast plan ontwikkeld stelsel, terwijl het middeleeuwse muntwezen eigenlijk geen stelsel genoemd mocht worden, omdat het het resultaat was van een aantal toevallige ontwikkelingen. Het andere verschil was dat de Romeinse muntslag geheel in handen van de staat was. De middeleeuwse muntslag in Europa was in feite een particuliere onderneming, waarbij de productie geheel afhing van vraag en aanbod en waarbij de vorst alleen passief kon ingrijpen door het uitvaardigen van muntwetten.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, middeleeuwen, opkomst geldhandel.