Ga naar: navigatie, zoeken

Solidus

solidus, laat-antieke gouden munt ingevoerd door de Romeinse keizer Constantijn de Grote ca. 309 en later aangemunt zowel door de eerste Germaanse dynastieën, als door de Byzantijnse keizers tot in 963. De solidus, een vrij platte munt met laag reliëf, woog 4,54 g (1/72 van het Romeinse pond). Zijn waarde was afhankelijk van de goudprijs en bleef stabiel; dit in tegenstelling tot de biljoenen munten en het bronsgeld, dat door de hoge inflatie in de 4e eeuw steeds in waarde daalde.

Gewicht en gehalte (bijna zuiver goud) bleven vrij constant op enkele uitzonderingen na. Keizer Magnentius (350-353) gaf enkele reeksen lichtere solidi uit (ca. 3,80 g). Ook de Byzantijnse keizer Justinianus I (527-565) en zijn opvolgers muntten lichtgewicht solidi aan (4,1 g en 3,8 g). Deze laatste waren mogelijk bestemd voor export naar Slavische en Germaanse gebieden en zijn herkenbaar aan de gehaltetekens in de afsnede: OB*+* en OB+* voor de munten van 22 karaat of 4,1 g en OB XX voor 20 karaat of 3,8 g (1 karaat is 0,189 g).

Rond het midden van de 4e eeuw werd het gehalte van de solidi een beetje verlaagd, maar dit werd met de hervorming van 368 weer goedgemaakt; de munten van na die hervorming dragen dan ook de afkorting OB (obryzus), die erop wijst dat de munt uit zuiver goud was vervaardigd. Zowel veelvouden als onderverdelingen (semissis, tremissis/triens) werden regelmatig aangemunt. De moderne benamingen sol en sou werden van het woord solidus afgeleid; aureus. Zie verder: Romeinse muntwezen en Byzantijnse rijk.

v.H.



  • Solidus bijzant rijk 040.jpg
  • Solidus byzantijnse rijk phocas.jpg
  • Solidus romeinse muntwezen constantijn de grote.jpg
  • Solidus romeinse rijk 395 423.jpg