Ga naar: navigatie, zoeken

Particuliere munten

particuliere munten, alle op munten gelijkende betaalmiddelen met een waardeaanduiding of met een van tevoren afgesproken waarde die niet de hoedanigheid van wettig betaalmiddel bezitten. Zij worden uitgegeven door particulieren, particuliere instellingen en lagere overheden of overheidsinstanties zonder muntrecht. Gebruikspenningen, waarvoor men uitsluitend goederen (brood, turf, enz.) of diensten (bus- of tramrit, telefoongesprek) kan verkrijgen, worden gerekend tot de (metalen) tegoedbonnen.

Particuliere munten hebben een min of meer beperkt circulatiegebied en zijn voorts beperkt inwisselbaar, meestal alleen bij de uitgevende instanties of personen en gedurende een bepaalde periode.

Essentieel verschil met de tegoedbon is, dat de bezitter min of meer de vrije keuze heeft welke artikelen hij wil kopen. Particuliere munten kunnen van metaal, maar ook van andere stoffen (aardewerk, hout, karton, plastic, enz.) zijn vervaardigd. Zij kunnen zowel op primitieve wijze als professioneel zijn gemaakt en bezitten niet altijd de traditionele ronde vorm.

Redenen om particuliere munten uit te geven kunnen zijn:

a. een tijdelijke of blijvend tekort aan circulerend (wettig) kleingeld;

b. gedwongen winkelnering;

c. bevorderen dat uitkeringen niet aan alcoholische drank worden besteed;

d. vergemakkelijken van betalingen bij deviezenrestricties;

e. fondsverwerving voor bepaalde evenementen.

De houding van hogere overheden met muntrecht ten opzichte van het in omloop brengen van particuliere munten is sterk afhankelijk van de monetaire situatie en van de wijze waarop het tot de uitgifte van die munten is gekomen. Zij kunnen akkoord gaan, gedogen of verbieden. Mensen, die door een ondernemer met particuliere munten worden betaald en deze slechts bij hem kunnen inwisselen, accepteren de munten dikwijls ook bij onderlinge betalingen, ervan uitgaande dat ze bij de betrokken ondernemer toch wel tegen wettig geld kunnen worden ingewisseld. Een zeer beperkt circulatiegebied kan zich daardoor zodanig uitbreiden dat acties van de overheid worden uitgelokt.

Sinds de Middeleeuwen werd door talrijke stedelijke, kerkelijke en liefdadige instellingen aan armen zgn. armengeld verstrekt met beperkte inwisselbaarheid, soms in de vorm van metalen tegoedbonnen. Toen dit tussen het wettige geld ging circuleren, werd het gebruik ervan uiteindelijk verboden.

Het Sint Catharina gasthuis in Leiden kreeg vlak voor het beleg door Valdez in 1573 machtiging koperen oorden of kwart stuivers uit te geven ten behoeve van de armen.

De muntmeesterspenning uit de jaren 1756-1759 werd aanvankelijk door enkele muntmeesters voor eigen rekening geslagen en als nieuwjaarspenning verkocht, maar omdat zij in een behoefte aan kwart guldens bleek te voorzien, circuleerde zij weldra in aanzienlijke hoeveelheden. De aanvankelijke bedoeling (nieuwjaarspenning) had zich ontwikkeld tot een particuliere muntuitgifte die strijdig was met de belangen van de centrale overheid, waarop de Staten Generaal in 1759 de aanmaak verboden.

Vanwege een tekort aan pasmunt importeerden de Utrechtse kruidenier Bleyenstein en het bankiershuis Van Lanschot te 's-Hertogenbosch koperstukjes uit Darmstadt (Bleyensteinse duit), die ze rond 1822 in omloop brachten. Omdat de uitgifte niet strookte met de belangen van de Nederlandse Staat werd de uitgevers aanstonds gelast de munten terug te nemen.

In o.a. Nederland en België zijn in de 19e eeuw in gevangenissen, werkhuizen en gestichten particuliere munten voor intern gebruik uitgegeven om te voorkomen dat sterke drank in de inrichtingen werd geïmporteerd (huisgeld).

In de 19e en 20e eeuw hebben enkele verveners in Drenthe lonen van arbeiders met particuliere munten uitbetaald (gedwongen winkelnering).

Kort na de Tweede Wereldoorlog hebben enkele scheepvaartmaatschappijen zgn. boordgeld laten vervaardigen.

In de periode 1951-1954 heeft het Nederlandse Ministerie van Oorlog in verband met deviezenbeperkingen plastic geld voor gebruik in haar kantines in het buitenland uitgegeven.

In 1935 werden ter gelegenheid van 750 jaar 's-Hertogenbosch aldaar zilveren munten ter waarde van 1 gulden uitgegeven die op de openingsdag toegang gaven tot de manifestatie Oud-‚‘s-Hertogenbosch (hendrik, zilveren).

Sinds de jaren zeventig van de 20e eeuw is een breed scala aan gelegenheidsmunten met een beperkt circulatiegebied (stad, dorp, enz.) uitgegeven. Deze gelegenheidsmunten zijn tot nu toe gedoogd.

Uit Nederlandsch-Indië geniet vooral het plantagegeld, ook wel ondernemingsgeld genoemd, uit het vierde kwart van de 19e eeuw grote bekendheid. Het werd gebruikt voorde betaling van de koelies en was alleen geldig op het terrein van de plantage. Het verving niet alleen het schaarse kleingeld maar verplichtte ook tot gedwongen winkelnering.

Ook in Suriname is inde 19e eeuw op zeer beperkte schaal plantagegeld gebruikt. Op Curaçao werden omstreeks 1880 door een aantal firma's particuliere munten uitgegeven. Het meest bekend zijn de stuivers van Leyba & Co, Jesurun & Co en J.J.Naär. Ook buiten Nederland en zijn koloniën zijn veel particuliere munten uitgegeven.

In België zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog o.a. door de gemeentebesturen van Gent en Thuin bij gebrek aan wettige circulatiemiddelen particuliere munten uitgegeven. De Gentse stukken konden blijkens de opschriften in januari 1920 tegen wettig geld bij de stedelijke overheid worden ingewisseld.

In Groot-Brittannië en in vele van haar koloniën zijn gedurende de 17e tot en met de 19e eeuw de zgn. tokens uitgegeven vanwege een tekort aan wettig kleingeld.

In Duitsland zijn vooral sedert 1916 ter aanvulling op het schaarse kleingeld door lagere overheden (gemeenten), fabrieken, banken, winkelbedrijven en tram- en busmaatschappijen veelvuldig particuliere munten in omloop gebracht. Om niet met de rijksoverheid in conflict te komen koos men veelal voor een achtzijdige vorm en vermeldde de uitgever in de opschriften niet alleen zijn naam, maar ook dat het om een nooduitgifte ging (Notgeld, Kriegsgeld, Geldersatz (= "surrogaatgeld"), Kleingeldersatzmarke). Aan deze nooduitgiften kwam in 1932 een einde.

Uit Frankrijk is vooral bekend het door departementen en kamers van koophandel (Chambres de Commerce de France) van 1919-1930 uitgegeven geld, dat in geheel Frankrijk werd geaccepteerd en dat tijdelijk in een groot tekort aan wettig kleingeld moest voorzien.

W.

Lit.:'

Gamberini di Scarfèa, C , Quando Mancano gli Spiccioli, Brescia 1974;

Kooij, A.J., Catalogus van Nederlandse Betaal- en Reclamepenningen, Vriezenveen 1988;

Kreuk, W. de, en Mevius, J., Nederlandse Herdenkings- en Gelegenheidspenningen van Steden 1935-1989, Vriezenveen 1990;

Lamb, R.A., A Catalogue of French Emergency Tokens, 1914-1922, Tucson 1967;

Lansen, A. J., Ondernemingsgeld van Nederlandsch Oost-Indië, Malacca en (Brits- )Noord Borneo, IJsselstein 1992;

Link, R., Die Luxemburgischen Geldwertzeichen, Luxemburg 1991;

Menzel, P.,Deutsche Notmünzen und sonstige Geldersatzmarken 1840-1990, Giitersloh 1993;

Ramjoie, P., Die Münzen, Scheine, Medaillen, Marken und Zeichen des 19. und 20. Jahrhunderts im deutschsprachigen Ostbelgien, Eupen 1984;

Seaby, P., en Bussel, M., British Tokens and their Values, Londen 1984;

Seaby, P., Coins and tokens of Ireland, Londen 1970;

Seaby, P., Coins and tokens of Scotland, Londen 1972.