Ga naar: navigatie, zoeken

Curaçao

Curaçao, eiland in de Caribische zee voor de Venezolaanse kust, in 1499 ontdekt door de Spaanse conquistador Alonso de Ojeda evenals de naburige eilanden Aruba en Bonaire. Een expeditie van de West-Indische Compagnie veroverde in 1634 het strategisch tussen Nieuw Amsterdam en Pernambuco gelegen eiland op de Spanjaarden. Het regeringsgebied (gouvernement) Curaçao omvatte ook "deszelfs onderhorige districten" ofwel de eilanden Aruba en Bonaire, maar ook het zuidelijk deel van Sint Maarten (sinds 1648), Saba en Sint Eustatius (sinds 1635). Het monetaire systeem was voornamelijk gebaseerd op het Spaanse, waarbij de reaal 6 stuiver gold. De belangrijkste munten daarin waren in de praktijk de peso van 8 realen en de gouden dubloen van 16 pesos. Het tekort aan volwaardige munt dat echter voortdurend heerste, maakte dat de peso hoger werd getarifieerd, eerst op 10, later op 12 en nog meer (gedeprecieerde) realen. In de loop van de 18e eeuw kwamen daar steeds meer andere buitenlandse munten bij: Deense skillingen, Franse 2 sousstukken van Cayenne, Portugese halve dobra's of gouden johannissen en zelfs Amerikaanse cents. Vanaf 1796 werden pesos in vieren gekapt en ingestempeld met een vijfbladige rozet om in het tekort aan kleingeld te voorzien en voor 3 realen in omloop gebracht.

In 1814 werden deze guillotines of driekantjes, gevolgd door vijfde gedeeltes van de peso met dezelfde klop of een 3. In 1818 gebeurde dit nogmaals en werden ook derde delen van de peso met een 5 gestempeld. Tenslotte ondergingen in 1838 nog Nederlandse guldens hetzelfde lot; deze kregen de beginletter van Curaçao op ieder vierde deel ingeslagen en golden 25 cent. Ook een aantal buitenlandse muntsoorten werd van ingestempelde waardeaanduidingen, deels in realen, deels in stuivers voorzien.

De gouden johannissen, waarvan voortdurend verschillende soorten vergulde of gegoten vervalsingen werden gesignaleerd, werden diverse malen gecontroleerd en gestempeld, voor het eerst in 1792, in 1798 nogmaals nu met 4 verschillende stempels vlak bij de rand ook om het snoeien tegen te gaan, en tenslotte nog eens in 1815. Na de tweede controle mochten ze slechts tegen de volle waarde circuleren wanneer ze vergezeld waren van een door twee (later een) van de commissarissen getekend briefje, dat echter in 1809 werd afgeschaft.

De tijdelijke Britse bezettingen van 1800-1803 en 1807-1816 hadden op deze gang van zaken feitelijk geen invloed. Zie de kloppen C 1 t/m C 8 in kloppen deel C. Behalve op Curaçao zelf werden ook op Sint-Maarten en Sint Eustatius munten gekapt en geklopt, het laatste vooral op de "oude bruine" cayennestuiver tussen 1797 en 1820. Op Sint Eustatius werden door Herman Gossling, waarschijnlijk eerst 10 jaar na de erop vermelde datum 1771, particuliere muntjes van ½ en 1 bit in geelkoper uitgegeven.

Pas in 1821-22 werden voor het eerst voor Curaçao eigen munten geslagen en wel realen en stuivers, in beide gevallen in de Verenigde Staten. Begin 1827 werd het Nederlandse muntstelsel op de eilanden ingevoerd, maar dat loste het tekort aan kleingeld niet op, waardoor de noodzaak bleef bestaan om allerlei buitenlandse munten tegen bij Koninklijk Besluit vastgestelde koers tot de circulatie toe te laten. Sterke daling van de zilverprijs en spanningen in de politieke en diplomatieke relaties met Venezuela verergerden het tekort nog, zodat vanaf ongeveer 1880 een reeks maatregelen volgde om de voorraad pasmunt aan te vullen. Een drietal van de belangrijkste handelshuizen te Willemstad gaf particuliere stuivers van alpaca uit, te weten: Jesurun & Co., J. J. Naär en Leyba & Co. De Curaçaosche Bank gaf biljetjes van dik papier uit in 1883 in coupures van ¼, ½, 1 en 2 ½ gulden, vanaf 1893 weer gevolgd door een aantal particulieren zoals Eman & Co op Aruba, J. W. F. Hellmund op Bonaire en de Spaar- en Beleenbank, Henriquez & Co., Jones & Borchert, Wed. W. P. Maal, Meijer & Araujo, S. E. L. Maduro en Rivas Fensohn & Co op Curaçao. Al eerder waren tekorten aan kleingeld aanleiding geweest tot de uitgifte van kaartengeld naar het voorbeeld van Suriname. Op Sint Maarten gebeurde dit in 1778 en 1803 en op Curaçao in 1806 en 1812 toen kaarten van 1 en 8 realen werden gemaakt, die echter alle in 1814 werden ingetrokken.

De muntwet van 23 mei 1899 voorzag tenslotte in de aanmunting van kwartjes en dubbeltjes met de tekst KOLONIE CURAÇAO, die in 1900 en 1901 plaatsvond. De Bank vulde in 1902 de voorraad papieren guldens en rijksdaalders nog eens aan. Daarna zou het weer tot 1941 duren eer opnieuw voor Curaçao werd gemunt. De gedurende 3 jaar te Philadelphia geslagen 1, 5, 10 en 25 centstukken waren van het Nederlandse type maar met een palmboom en de letter P als muntteken; ze waren deels ook voor Suriname bestemd. In 1944 volgde een te Denver geslagen reeks van 1, 2 ½, 10 en 25 cent en 1 en 2 ½ gulden met een eigen Curaçao's uiterlijk. In aansluiting hierop werden in 1947-1948, nu weer te Utrecht dezelfde munten geslagen, aangevuld met een vijf cent.

Zie voor de latere uitgiften Nederlandse Antillen. Na de opheffing van de Nederlandse Antillen op 10 oktober 2010, werd Curaçao een zelfstandig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. De munteenheid is de Antilliaanse gulden, ISO 4217-code ANG. Deze is gekoppeld aan de Amerikaanse dollar: 1,79 ANG = 1 USD.

A.

Lit.:

Goslinga, C. C, A short history of the Netherlands Antilles and Surinam, 's-Gravenhage 1979.

Scholten, C, De munten van de Nederlandsche gebiedsdelen overzee, Amsterdam 1951.

Schiltkamp, J. A. (red.), West Indisch plakkaatboek, Amsterdam 1978.

Pridmore, F., The coins of the British Commonwealth of Nations, part 3, West Indies London 1965.


  • Curaçao, driekantje met klop "C", gemaakt uit een gulden Willem I, zilver.
  • Curacao halve gulden 1827.jpg
  • Curacao Naar JJN stuiver.jpg
  • Curacao reaal 1821.jpg
  • Curacao rijksdaalder 1944 denver.jpg
  • Curacao tiende gulden.jpg