Ga naar: navigatie, zoeken

Plantagegeld

Plantagegeld, of ondernemingsgeld, tokengeld of huisgeld dat als substituut voor circulatiemunten gebruikt werd op verschillende plantages in Amerika en Azië. Reeds in het midden van de 18e eeuw werd op de hacienda's in Mexico plantagegeld gebruikt; de circulatie hiervan werd uiteindelijk in 1917 verboden.

Omstreeks 1788 introduceerden de Britten het gebruik van plantagegeld in West-Indië, o.a. op het eiland Barbados. Tussen ca. 1820 en 1890 voerden de Britten het gebruik van plantagegeld in voor betaling aan werkers op koffieplantages op Ceylon en van ca. 1870 tot 1914 op theeplantages in Assam (India) en rubber- en koffieplantages in Zuid- India.

Van ca. 1870 tot het begin van de 20e eeuw is op de plantages in de residentie Oostkust van Sumatra (districten Deli, Langkat, Serdang, Bedagei, Padang, Batoe Bahara en Asahan) alsmede in Brits Noord- Borneo op uitgebreide schaal gebruik gemaakt van plantagegeld als (voorschot)betaling aan de koelies voor verrichte arbeid. Uit het gebied van voormalig Nederlandsch-Indië zijn tevens tokens bekend van een plantage op de Molukken en van theeplantages op Java (Preangerdistrict).

In India en Ceylon was het gebruikelijk dat de plantagewerkers dagelijks werden uitbetaald overeenkomstig de geleverde prestaties of verrichte arbeid, zodat een omslachtige loonadministratie werd ondervangen. Vervolgens werd wekelijks het plantagegeld omgewisseld in gangbaar geld.

Aan de oostkust van Sumatra werd het loon niet regelmatig uitbetaald, maar ontvingen de koelies bij het aangaan van hun contract en soms tussentijds een voorschot op hun loon, zoveel als voor hun dagelijks onderhoud noodzakelijk was. Dit voorschot werd vaak gedeeltelijk uitbetaald in de vorm van plantagegeld dat slechts besteed kon worden in de winkel (kedeh) van de desbetreffende onderneming; dat leidde tot gedwongen winkelnering. Volgens de planters aan Sumatra's oostkust waren zij overgegaan tot de uitgifte van dit aan het bedrijf gebonden ruilmidddel wegens het gebrek aan voldoende pasmunt.

De koelies op de plantages aan de oostkust van Sumatra en in Brits Noord-Borneo waren in meerderheid van Chinese afkomst. Als regel werden de koelielonen op deze cultuurondernemingen (kebons) uitbetaald in Straits-dollars. Hoewel, volgens Vissering, het minimumloon omstreeks 1906 $8,- per maand bedroeg, behaalden veel koelies, in de vorm van aangenomen stukwerk, een inkomen van $20,- a 30,- per maand; voor de eerste levensbehoeften was ca. $3,- per maand nodig. In de loop van september-oktober werd dan de rekening-courant voor iedere koelie opgemaakt en werd het surplus uitbetaald.

Chinese postlopers die met koelieboten tussen Deli en China heen en weer voeren, zorgden tegen een commissie van 10% voor het overbrengen van het surplusinkomen naar de familie van de Chinese koelies. Reeds sedert 1880 geschiedde het overbrengen van dit surplusinkomen door middel van wissels die bij aankomst in China in Hong Kong dollars werden uitbetaald.

Pas in 1907-08 wordt het Nederlandsen- Indische geld op uitgebreide schaal aan de oostkust van Sumatra ingevoerd. Tot die tijd was men hoofdzakelijk georiënteerd op de Straits Settlements (Singapore en Penang) en vormde de Straits-dollar de gangbare munteenheid. De salarissen van het Europese personeel werden vóór die tijd reeds in guldens berekend, doch de uitbetaling geschiedde veelal in de vorm van cheques (Medan), die terstond omgewisseld werden in dollars. Hoewel alle belastingen en rechten in guldens moesten worden voldaan, was er tot 1907 nauwelijks Nederlandsch-Indisch geld op de ondernemingen aanwezig.

De vroegste datering van het plantagegeld op de oostkust van Sumatra is 1884-1887, voor de plantage Lima Poeloe. Daar de waardeaanduiding van plantagegeld aan de oostkust van Sumatra, op slechts enkele uitzonderingen na, uitsluitend aangegeven is in dollars en (dollar)cents, ligt het voor de hand te veronderstellen dat het gebruik van het plantagegeld bij de invoering van het Nederlandsch-Indische geld in 1907 reeds in onbruik was geraakt. De waardeaanduiding op het plantagegeld op de Molukken en Java is in guldens en centen.

Koersschommelingen in de prijs van zilver en dientengevolge in de lonen werden soms gecompenseerd door in de kedeh tegen gesubsidieerde prijzen rijst aan te bieden, hetgeen een verklaring is voor de waardeaanduiding zoals rijst, reis of Gangtang Bras (= ca. 8½ liter gepelde rijst) op enkele tokens.

Het plantagegeld is in vele vormen en in diverse materialen (metaal, bamboe en papier) vervaardigd. De metalen tokens zijn merendeels van messing of koper-nikkel, maar ook tinnen, loden (lood) en koperen exemplaren komen voor.

De verschillende nationaliteiten van de eigenaren van de plantages komen tot uiting in de opschriften die behalve in het Nederlands, ook in het Engels, Duits en Frans voorkomen.

Met uitzondering van een enkel exemplaar (vervaardigd bij Lauer te Neurenberg) is het onbekend waar de tokens voor de plantages aan de oostkust van Sumatra, op de Molukken en op Java zijn gemaakt.

L.

Lit.:

Breman, J., Koelies, planters en koloniale politiek, 2e druk, Dordrecht 1987, blz. 82-89;

Eklund, O.P., en S.P. Noe, Hacienda tokens of Mexico, ANS Numismatic Notes and Monographs no. 115, New York 1949;

Lansen, A.J., Inventarisatie van ondernemingsgeld (plantation tokens) van Nederlandsch-Indië, Malacca en (Brits) Noord-Borneo, IJsselstein 1992;

Lansen, A.J., en L.T. Wells jr., Plantage-, handels- en mijngeld van Nederlands-Indië, Vriezenveen 2001;

Scholten, C , Munten van de Nederlandsche gebiedsdeelen overzee, 1601 -1948, Amsterdam 1951;

Vissering, G., Muntwezen en circulatie- banken in Nederlandsch- Indië, Amsterdam 1920, blz. 101-207.

  • Plantagegeld sumatra asahan 1 dollar reis 1890.jpg
  • Plantagegeld sumatra deli 20 ct rimboen.jpg
  • Plantagemunt gaatjesmunt 1892 java 111.jpg