Handelingen

Verzamelen, korte geschiedenis

Uit Wiki Munten en papiergeld

Versie door (gebruikersnaam verwijderd) op 15 jan 2017 om 23:21
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

verzamelen, korte geschiedenis, de eerste gegevens over verzamelaars in de Nederlanden dateren uit het einde van de vijftiende eeuw, toen vorsten klassieke munten gingen verzamelen en aan bekende kunstenaars penningopdrachten gaven. Een van de oudste penningen uit de Nederlanden is het portret van de Bourgondische hertog Karel de Stoute, gegoten door de beroemde medailleur Giovanni Candida, die van 1472-1480 verbonden was aan het Bourgondische hof. Hij heeft ook penningen gegoten op het huwelijk van aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk met hertogin Maria in 1477. We weten echter niet hoe men deze penningen verzamelde.


Een van de oudste vermeldingen van een Nederlandse verzameling vinden we in de nalatenschap van de Utrechtse bisschop Philips van Bourgondië (1465-1524), een bastaardzoon van de bekende Bourgondische hertog Philips de Goede. Bisschop Philips bezat onder andere een grote gouden portretpenning uit 1459. Er werd uitdrukkelijk van vermeld dat hij "geslaegen" was. De numismatische verzameling van de bisschop bevatte nog meer exemplaren, onder andere penningen met zijn eigen portret en Romeinse munten, maar een groot gedeelte van de verzameling werd per gewicht genoteerd. Voor de schuldeisers van de overleden bisschop telde de kunstwaarde minder dan het gewicht aan goud en zilver van de collectie.


Echte systematische verzamelingen ontstonden pas in de zestiende eeuw. De namen van deze verzamelaars zijn bekend gebleven door het werk van de oudheidkundige Hubert Goltzius uitVenlo (1526-1583), die zeer veel verzamelingen in de Nederlanden, Duitsland en Frankrijk bezocht heeft voor zijn studie over de Romeinse en Griekse munten. Zijn werk is veel geprezen maar enkele jaren geleden is gebleken dat hij, om zijn werk beter verkoopbaar te maken, ook collecties opgenomen heeft die in het geheel niet bestonden of die hij nooit gezien kan hebben.


Hoewel de geleerden zich liever bezighielden met de klassieke munten, waren er in de zestiende eeuw ook al verzamelaars van oudere en moderne munten die in de Nederlanden voorkwamen. Meestal waren dit mensen die vanwege hun beroep met geld en edele metalen in aanraking kwamen. Geldwisselaars en kassiers hadden kansen genoeg om bijzondere munten uit de circulatie apart te leggen. Uit de tarieflijsten voor de handel in de zestiende eeuw - de zogenaamde beeldenaars en manualen (beeldenaar, manuaal) - weten we dat er honderden verschillende soorten gouden en zilveren munten in omloop waren. Een goed bewijs voor de toenemende belangstelling voor het verzamelen van de munten uit onze streken vormt het boekje dat Willem van Parijs in 1580 te Antwerpen uitgaf onder de titel: "Het Thresoor oft Schat van alle de specien, figuren en sorten van Gouden ende Silveren munten".


Het boekje was vervaardigd met behulp van de houtsneden die hij ook voor de officiële muntpublicaties gebruikte. Alleen waren nu alle vermeldingen van koers, gewicht en gehalte weggelaten zodat het boekje voor de geldhandel onbruikbaar was. De ondertitel vermeldt echter de doelgroep van deze uitgave: naast de muntmeesters, wisselaars, rentmeesters en kooplieden worden speciaal "alle liefhebbers der Antiquiteyten" genoemd.


Willem van Parijs had in 1575 van koning Philips II het monopolie gekregen op het uitgeven van alle officiële muntpublicaties. Hij was dus bij uitstek degene die een complete lijst van afbeeldingen voor verzamelaars kon drukken. Naar alle waarschijnlijkheid is het "Thresoor" het oudste Europese boek voor verzamelaars. Weinig later verschenen er ook in Duitsland vergelijkbare publicaties voor verzamelaars, onder andere van Adam Berg. Bij gebrek aan beter hebben veel verzamelaars zich tot in de negentiende eeuw met het Thresoor moeten behelpen, omdat de officiële wetenschap zich hoofdzakelijk met de klassieke numismatiek bezighield.


Een goed beschreven zestiende-eeuwse verzameling is gevonden in de nalatenschap van Jan van Brouchoven, overleden in 1588. Hij was rentmeester van het Hoogheemraadschap Rijnland, lid van de Hollandse Rekenkamer en verschillende malen burgemeester van Leiden. Als financieel deskundige had hij een grote belangstelling voor oude munten. Naast een piedfort van de philipsdaalder op drievoudig gewicht (waarschijnlijk verloren gegaan) bevatte zijn verzameling van 62 stuks onder andere noodmunten die toen nog geen twintig jaar oud waren en zeldzame stukken uit Vlaanderen en Holland uit de veertiende en vijftiende eeuw. Zijn collectie was ondergebracht in een goed afsluitbaar "cofferken" met vier laden.


Het eerste boek met een systematische beschrijving van ... alle figuren van Silvere ende Goude penningen gheslaeghen bij de Graeven van Hollandt... werd in 1597

geschreven door de in Dordrecht woonachtige goud- en zilversmid Erasmus van Houwelinghen. Ook deze verzamelaar-auteur was dus niet uit de officiële wetenschap afkomstig. Uit de titel van het boek van Van Houwelinghen blijkt dat het woord penning toen nog veilig gebruikt kon worden om er geldstukken mee aan te duiden.


In 1700 werd het werk van Van Houwelinghen opgevolgd door het boek van Kornelis van Alkemade: De Goude en Zilvere Gangbaare Penningen der Graaven van Holland. Hierin is een aantal verbeteringen aangebracht en werd het overzicht uitgebreid met de munten van de Bourgondische vorsten. Van Alkemade gebruikte de woorden munt en penning door elkaar. Wel laat hij duidelijk uitkomen dat geld en munten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.


In Duitsland had men in de achttiende eeuw niet alleen aandacht voor het verzamelen, maar bestudeerde men ook de geschiedenis van het geld zelf. Rond 1740 werden er de eerste pogingen gedaan om een muntencyclopedie of lexicon uit te geven. Ook in Nederland verschenen in deze tijd de eerste muntwoordenboeken. De Nederlandse uitgaven hadden echter meer het karakter van een almanak, waarin ook andere nuttige onderwerpen voor de koopman aan bod kwamen. In het Nederlandse taalgebied hadden de verzamelaars over het algemeen meer belangstelling voor penningen, hoewel een belangrijke penningkundige als Frans van Mieris ook over munten schreef. Pas in de negentiende eeuw kwam er onder invloed van de Romantiek grote belangstelling voor de Middeleeuwen en gingen meer geleerden zich bezighouden met de numismatiek van de Nederlanden.


In 1816 werd het Koninklijk Penningkabinet te 's-Gravenhage gesticht. Behalve het opbouwen van een nationale verzameling kreeg ook de wetenschappelijke kant van de numismatiek ruime aandacht. Vanaf ongeveer 1830 probeerde men zoveel mogelijk gegevens over muntvondsten te vergaren en de zeldzame stukken eruit in de nationale verzameling op te nemen. Ook verschenen al spoedig na de oprichting van het kabinet de eerste publicaties. Na de Belgische afscheiding werd daar een eigen penningkabinet gesticht.


Er kwamen ook moderne vaktijdschriften, waarvan het Tijdschrift voor algemene Munt- en Penningkunde van P. O. van der Chijs, voor het eerst verschenen in 1833 te Leiden, waarschijnlijk de oudste op dit gebied in Europa was. De belangrijkste bijdrage van Van der Chijs was echter dat hij systematisch schriftelijke bronnen gebruikte om een beter inzicht in de geldgeschiedenis te krijgen. Tussen 1851 en 1862 publiceerde hij een omvangrijk wetenschappelijk werk in negen delen over de middeleeuwse munten van de Nederlanden. Voor sommige gebieden fungeert deze serie nu nog steeds als standaardwerk.


In de vorige eeuw ontstonden ook de meeste nationale numismatische genootschappen zoals de Société Royale de Numismatique de Belgique (Koninklijk Belgisch Genootschap voor Numismatiek), opgericht in 1841, dat ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan in 1891 het eerste internationale numismatisch congres organiseerde, en het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde, waarvan het idee van de oprichting geboren werd op het zojuist genoemde congres. Rond het jaar 1900 verschenen er over de gehele wereld al zo'n 24 verschillende numismatische tijdschriften, waarin wetenschappelijke bijdragen gepubliceerd werden en aandacht besteed werd aan muntvondsten.


Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal verzamelaars van munten sterk toe. Er is een aantal factoren op te noemen die hierbij van invloed zijn geweest. Ten eerste moet misschien de algemeen toegenomen belangstelling voor de geschiedenis genoemd worden. Ook de toegenomen hoeveelheid vrije tijd speelt een rol. De gestegen welvaart maakt het mogelijk dat een veel breder publiek financieel in staat is om een verzameling op te bouwen. Bovendien is door de gestegen welvaart het aantal buitenlandse vakanties toegenomen, waardoor meer mensen kennis gemaakt hebben met "vreemd geld". Dit zal ook het verzamelen gestimuleerd hebben.


Er werden op verschillende plaatsen in Nederland, België en Luxemburg Numismatische

Kringen opgericht (numismatische kring). De meeste van deze kringen zijn niet alleen een trefpunt voor verzamelaars, maar houden zich ook in zekere mate bezig met de wetenschappelijke kant van de numismatiek door het houden van lezingen en het uitgeven van tijdschriften.


Het verzamelen van papiergeld heeft een veel kortere geschiedenis. Er zijn enkele grote verzamelingen uit de negentiende eeuw bekend, onder andere Van der Chijs zag toen al in dat papiergeld binnen de wetenschap van de numismatiek verzameld en bestudeerd diende te worden, maar deze verzamelingen behoren tot de uitzonderingen. In Duitsland groeide na de Eerste Wereldoorlog sterk de belangstelling voor het verzamelen van noodgeld. Dit begon als een onderdeel van wat men daar zo treffend het "Weltkriegs-Erinnerungs-Sammlen" noemt, maar groeide al spoedig uit tot een zelfstandig onderdeel van de numismatiek. Nog in 1980 constateerde A. A. de Boer in zijn verzamelaarshandleiding "Papiergeld" dat er bijna geen literatuur over bankbiljetten verkrijgbaar is en dat het aantal Nederlandse verzamelaars veel kleiner is dan bijvoorbeeld in Scandinavië. De laatste jaren echter neemt het aantal bankbiljettenverzamelaars sterk toe en verschijnen er ook nationale en internationale catalogi, waarbij de Standard Catalog of World Paper Money van Krause Publications de belangrijkste internationale catalogus is.


Zie verder: verzamelen, verzamelen, praktische tips, verzamelgebied, verzamelaar en verzamelaarsmunten.