Ga naar: navigatie, zoeken

Reichsmünzordnungen

Reichsmünzordnungen, muntregelingen voor het Duitse rijk (Roomse Rijk) dat in de late Middeleeuwen geen politieke eenheid vormde. Dientengevolge ontbrak die eenheid op monetair terrein ook. Slechts bij uitzondering kwam het tot een interregionale monetaire samenwerking, zoals tussen de keurvorsten langs de Rijn, die lange tijd op eenparige voet een goudgulden (Rijnse gulden) hebben geslagen. Toen verscheidene vorsten in het zuiden van het Duitse rijk aan het eind van de 15e eeuw grote zilverstukken gingen aanmunten, deed ieder dat op zijn eigen muntvoet.

De Duitse keizers Maximiliaan I (1493-1519) en zijn opvolgers Karel V(1519-1556) en Ferdinand I (1556-1564) hebben gepoogd een politieke eenheid te laten ontstaan. Uitvloeisel van die pogingen zijn de oprichting van het Reichskammergericht, het stichten van een Reichsarmee en het opstellen, in overleg met de Rijksdag, van een drietal Reichsmünzordnungen, opgesteld in 1524 te Esslingen, in 1551 en 1559 te Augsburg en in 1566 aangevuld, eveneens te Augsburg.

In 1524 schreef men als rijksmunten voor: een goudgulden naar het voorbeeld van de Rijnse gulden met een koers van 60 kreuzer en in zilver een reichsguldiner met een aan de goudgulden gekoppelde koers, d.w.z. eveneens 60 kreuzer.

In 1551 was de koers van de goudgulden inmiddels tot 72 kreuzer gestegen. Men introduceerde daarom een zwaardere reichsguldiner van eveneens 72 kreuzer. In 1559 liet men deze pariteit los. De goudgulden als munt (3,28 g, 0,771) kreeg een nog hogere koers van 75 kreuzer. In zilver zou voortaan een lichtere reichsguldiner worden geslagen met een van de goudgulden als munt afwijkende koers, namelijk van 60 kreuzer; net zoveel als de goudgulden in 1524 waard was.

Aldus creëerde men naast de goudgulden in natura een goudgulden als rekenmunt. Bovendien gaf men aan de veelvuldig in het Duitse rijk circulerende gouden Hongaarse dukaat, die zwaarder (3,49 g) en van hoger gehalte (0,983) was dan de goudgulden, ook de status van rijksmunt met een koers van 102 kreuzer.

In de praktijk bleek dat de muntvoet van de vernieuwde zilveren reichsguldiner nog altijd te veel afweek van in het bijzonder de muntvoet van de Saksische daalders. Daarom werd in 1566 de verordening van 1559 aangepast: in plaats van de reichsguldiner van 1559, nu guldentaler geheten, introduceerde men een reichstaler op de voet van de Saksische daalders met een koers van 68 kreuzer.

De rijksmunten waren als zodanig herkenbaar: ze voerden meestal de rijksadelaar en de keizerstitel, soms ook kwam de term Decreto voor; een verwijzing naar de Reichsmünzordnung waarop ze gebaseerd waren. De Reichsmünzordnungen hebben slechts tijdelijk tot de gewenste eenheid geleid. De rijksdukaat en de rijksdaalder zijn maar vrij kort echt algemene omloopsmunten geweest; zij werden al gauw tot negotiepenningen. Bovendien is de bedoeling dat de Duitse landen hun kleingeld aan de rijksmunten zouden aanpassen, niet verwezenlijkt. Daarnaast is de effectiviteit van de tegelijk met de Reichsmünzordnungen uitgevaardigde Reichsprobierordnungen, waarin de controle op de aanmunting van de rijksmunten was geregeld (Probationstag) mettertijd minder geworden. De monetaire verbrokkeling van het Duitse rijk bleef in feite tot in de 19e eeuw voortbestaan.

Omstreeks 1560 heeft de Rijksoverheid ook de legitimiteit van de gepretendeerde muntrechten onderzocht. Muntheren die niet op een uitdrukkelijk door de Rijksoverheid verleend recht om goud- en/of zilvergeld aan te munten konden bogen, werden voor het Reichskammergericht gedaagd. Dit gold zowel voor muntheren, die hun munt sloegen buiten de Bourgondische Nederlanden, zoals de abdij van Thorn, als binnen de Bourgondische Nederlanden, waaronder de Overijsselse steden Deventer, Kampen en Zwolle, de rijksstad Nijmegen, de heren van Batenburg en de graven van den Bergh. Hoewel het Reichskammergericht sinds 1548 (Bourgondische kreits) geen jurisdictie meer over de Bourgondische Nederlanden bezat, konden de Overijsselse steden enz. terzake van de muntslag toch voor het Reichskammergericht gedaagd worden. Ze beriepen zich immers op door de Duitse keizer verleende muntprivileges en bovendien vond de vervolging door de Rijksoverheid met toestemming, soms zelfs op verzoek van de Bourgondische overheid plaats.

De uitkomst van de processen was overigens dat het muntrecht van de Overijsselse steden, Nijmegen en Thorn uitdrukkelijk werd erkend, maar dat ze zich dan ook aan de binnen het Duitse rijk bestaande controle van de munt moesten onderwerpen (Nederlands-Westfaalse kreits). Korte tijd is dat inderdaad gebeurd.

In eerste instantie hebben deze muntheren zich ook anderszins aan de in het Duitse rijk geldende voorschriften geconformeerd. Ze zijn de in de Reichsmünzordnungen voorgeschreven muntsoorten, zoals goudguldens, dukaten en rijksdaalders gaan aanmunten. Bovendien namen de genoemde steden het recht om schellingen en florijnen op eigen voet, maar met de uiterlijke kenmerken van rijksmunten te slaan.

In 1567 hebben de Bourgondische en de Rijksoverheid een muntverdrag gesloten. Op grond daarvan zijn, weliswaar gedurende een korte periode, ook in de munthuizen van de Bourgondische Nederlanden goudguldens (andriesgulden) en rijksdaalders (Bourgondische rijksdaalder) conform de Reichsmünzordnungen van 1559 en 1566 geslagen.

J.S.

Lit.:

Christmann, Th., Das Bemühen von Kaiser und Reich um die Vereinheitlichung des Münzwesens, Berlin 1988, blz. 37-88;

Rittman, H., Deutsche Geldgeschichte 1484-1914, München 1975, blz. 185-209.