Handelingen

Daalder

Uit Wiki Munten en papiergeld

Versie door MyWikiAdminEnc (overleg | bijdragen) op 15 jan 2017 om 22:53 (1 versie geïmporteerd)

daalder,

1. algemene benaming voor grote zilveren munten van bijna 30 g die in de 16e eeuw in zwang kwamen, toen vooruitgang in de mijnbouw en aanvoer van zilver uit de Nieuwe Wereld benevens verbeteringen in de munttechniek het mogelijk maakten veel grotere zilverstukken dan tot nu toe gebruikelijk in omloop te brengen, die als hoofdmunt in het betalingsverkeer konden dienen, wat eerder aan het goud was voorbehouden.

Het eerst ging hiertoe, in 1486, aartshertog Sigismund van Tirol over, in 1500 gevolgd door de hertogen van Saksen, bezitters van rijke zilvermijnen in het Ertsgebergte en in 1507 door de graven van Schlick met even rijke mijnen te Joachimstal aan de Boheemse kant van hetzelfde gebergte, vervolgens door vele andere Duitse vorsten en steden.

In de loop van de 16e eeuw kwamen soortgelijke zware zilverstukken in vrijwel alle landen van Europa in gebruik. Zij werden aanvankelijk Guldiner of Guldengroschen genoemd, omdat in het begin de waarde met die van de gouden gulden overeenkwam. Al spoedig werden ze echter algemeen Joachimstaler (Frans jocondale, Russ. jefimok) genoemd, of verkort Taler (taler, Ned. daalder, Frans daldre, Eng. dollar, Ital. tallero, Zweeds daler, enz. Het duurde echter tientallen jaren voor deze nieuwe muntsoort, die een omwenteling in het muntwezen betekende, algemeen geaccepteerd werd. Pas in 1566 is op grond van een besluit van de Rijksdag van Augsburg de daalder voor het gehele Duitse Rijk (waartoe toen ook de Nederlanden behoorden) erkend met de Saksische muntvoet (gewicht 29,23 g, gehalte 0,889). Volgens dit voorschrift werden Reichstaler (later ook Speziestaler genoemd) tot in de 19e eeuw in geheel Midden- en Noord-Europa tot in de 19e eeuw aangemunt.

Daarnaast werden echter ook lichtere soorten daalders geslagen (zie konventionsmunten, kronendaalder). In de Nederlanden werden de eerste daalders naar Duits voorbeeld uitgegeven door hertog Karel van Gelre in 1538, in hetzelfde jaar gevolgd door de stad Nijmegen en de Drie Steden van Overijssel, en in de volgende jaren door talrijke andere steden en heren, waarbij de muntvoet nogal eens uiteenliep. De regering van de Bourgondische Nederlanden erkende de nieuwe muntsoort slechts schoorvoetend, maar ging ook zware zilverstukken uitgeven, doch van geheel afwijkend gewicht (in 1540 de lichtere karolusgulden, in 1557 de zwaardere philipsdaalder). In 1567 sloot zij zich echter bij de Duitse muntvoet aan met de invoering van de Bourgondische rijksdaalder, gelijk aan de Duitse van 1566. Dit duurde slechts kort: weldra werden in de Nederlanden weer zilverstukken van uiteenlopende waarde geslagen, waarbij wel vaak de term daalder een element in de benaming vormde (zie leeuwendaalder, statendaalder statenmunten, uniedaalder uniemunten, rijksdaalder, enz.). In 1586 aanvaardde de Republiek weer de Reichstaler als hoofdmunt in het stelsel; deze rijksdaalder ontwikkelde zich verder los van het Duitse voorbeeld tot het 2 ½ gulden- stuk.

2. Daalder is hiernaast ook een specifiek Nederlands begrip geworden als aanduiding van een bedrag van 30 stuiver of l ½ gulden, de waarde die de Duitse daalders en de hier te lande geslagen navolgingen ca 1560, tot de hervorming van 1567, officieel hadden. In de 17e eeuw, toen de koers van de rijksdaalder tot ca 50 stuiver was opgelopen, zijn door verschillende provincies en steden lichtere munten van 30 stuiver uitgegeven, die de naam daalder kregen. Dit gebeurde eerst alleen door Zeeland in 1602 (20,68 g, geh. 0,750; ook stukken van 1/3, 1/6 en 1/12 daalder) en door Friesland in 1617. Op veel groter schaal had dit plaats in de periode 1676-1693 (te Nijmegen ook nog 1703-1704), waarbij wederom Zeeland het initiatief nam (15,88 g, 0,906, dus een fractie minder zilver dan in 1602), nu gevolgd door alle gewesten behalve Holland en door een aantal steden, met enigszins uiteenlopende beeldenaars (van Zeeland en enkele steden zijn er ook dubbele daalders).

Bij de hervorming van het muntwezen in 1692/94 werd de verdere aanmaak van deze provinciale en stedelijke daalders verboden en een daalder aan de reeks van de nieuwe generaliteitsmunten van 3, 1 en ½ gulden toegevoegd; tot aanmunting hiervan is het echter nauwelijks gekomen. De voorhanden daalders bleven tot 1847 in omloop en het woord leeft als aanduiding van 1½ gulden nog steeds voort, bijvoorbeeld in de slogan "op de markt is je gulden een daalder waard".

In de Zuidelijke Nederlanden voerde het bisdom Luik in 1611 ook een munt van 30 stuiver in; ferdinandusdaalder.

E.v.G.


  • Daalder 047 saksen.jpg
  • Daalder 050 west friesland.jpg
  • Daalder 30 st gelderland.jpg
  • Daalder bergh 1577.jpg
  • Daalder gelderland heerlijkheid daarder 1538.jpg
  • Daalder groninger ommelanden.jpg
  • Daalder gronsveld.jpg
  • Daalder hedel.jpg
  • Daalder heerenberg.jpg
  • Daalder herman van aspremont lynden daalder rekem.jpg
  • Daalder joachimstaler 047 schlick.jpg
  • Daalder kampen 1538.jpg
  • Daalder nijmegen 1538.jpg
  • Daalder nijmegen 1563.jpg
  • Daalder nijmegen 30 st 1563.jpg
  • Daalder nijmegen kroon.jpg
  • Daalder rijkszwaard saksen 1548.jpg
  • Daalder saksen.jpg
  • Daalder Thorn margaretha van Brederode daalder 1561.jpg
  • Daalder utrecht daalder 30 st 1687.jpg
  • Daalder zeeland 30 st 1681.jpg
  • Daalder zeeland dubbele daalder 3 gld.jpg