Ga naar: navigatie, zoeken

Konventionsmunten

konventionsmunten (Du.: Konventionsmünzen) worden de munten genoemd, die geslagen zijn volgens het muntverdrag van 20 sept. 1753 tussen Oostenrijk en Beieren. Door met Beieren een overeenkomst te sluiten en daarmee het omloopgebied van de Oostenrijkse munten te vergroten en de basis van zijn muntstelsel te versterken, trachtte Oostenrijk zijn circulatie te beschermen tegen het binnensluipen van buitenlands kleingeld met een lagere muntvoet.

De belangrijkste munten waren de konventionstaler van 120 kreuzer, die 29,23 g woog en 1/10 van een Keulse mark (233,855) fijn zilver bevatte en de konventionsgulden van 60 kreuzer. Voorts sloegen beide landen deelstukken van 10, 20 en 30 kreuzer, terwijl Oostenrijk bovendien nog munten van 3, 7 en 17 konventionskreuzer sloeg.

De druk van buitenaf bleek echter zo groot, dat Beieren binnen een jaar genoodzaakt was de waarde van de konventionstaler met 20% te verhogen tot 144 kreuzer (1 kreuzer = 4 pfennig = 8 heller). Andere Zuid- en Westduitse staten volgden het Beierse systeem, evenals in 1765 Polen, dat in een personele unie met Keursaksen was verenigd.

Oostenrijk bleef daarentegen tot aan het Duits-Oostenrijkse muntverdrag van 1857 aan de konventionsfuss in zijn oorspronkelijke vorm vasthouden, afgezien van een korte periode in de Napoleontische tijd.

De Oostenrijkse konventionsmunten, geslagen van 1751-1804, zijn te herkennen aan een liggend Andreaskruis achter het jaartal. De Duitse konventionsmunten hebben in de opschriften vaak een verwijzing naar de konventie (AD NORMAM CONVENTIONIS) of een verwijzing naar de muntvoet (V, X, XX of XL EINE FEINE MARK = l/5, 1/10, 1/20 of 1/40 deel van een gewichtsmark fijn zilver).

Tot de meest bekende konventionstalers behoren de Oostenrijkse Maria Theresia-daalder, de Beierse Madonna-, Frauen- of Marientaler en de Geschichtstaler. In diverse Zuid-Duitse staten zijn konventionsmunten tot 1837 geslagen, in Oostenrijk tot 1857; daarna verdwenen de konventionsmunten uit de circulatie.

W.

Lit.: Rittmann, H., Deutsche Geldgeschichte. München 1975, blz. 333-354.