Ga naar: navigatie, zoeken

Papiergeld uiterlijk

papiergeld uiterlijk,

a. Nederland Het bankbiljet draagt om zo te zeggen een tegenstrijdigheid in zich. Enerzijds dient het voor de gebruiker duidelijk herkenbaar te zijn door een eenvoudig uiterlijk. Anderzijds moet het om namaak te voorkomen, door toepassing van de nieuwste technische productiemethoden van een ingewikkelde opbouw zijn.

Voor visuele herkenbaarheid der afzonderlijke coupures heeft men vanaf het midden van de negentiende eeuw gebruik gemaakt van een psychologische kleurherkenning. Vooral om de verschillende coupures gemakkelijk uit elkaar te houden werden de tot dan toe voornamelijk in zwart bedrukte biljetten van een gekleurde ondergrond voorzien. In Nederland is dit vanaf 1860 gebeurd. De kleur van de toenmalige laagste Nederlandse coupure van 25 gulden bijvoorbeeld was geel, zodat men van een "geeltje" sprak, en het ƒ 40-biljet heette aldus naar zijn kleur een "groentje". Ook heeft het gebruik van gekleurde drukinkten de herkenbaarheid van de coupures nog vergroot. De hoogste Nederlandse coupure van 1000 gulden, model 1860, met een rood bedrukte keerzijde heette spoedig "rooie rug". In Nederland is deze herkenbaarheid op kleur nog steeds traditie. Sinds het begin van de 20e eeuw hebben de ƒ 10-biljetten een blauwe hoofdkleur; het ƒ 25-biljet wordt roodachtig uitgevoerd en het ƒ 100-biljet overwegend bruin.

In de geabstraheerde serie Erflaters van de ontwerper R. D. E. Oxenaar uit het begin van de zeventiger jaren werd deze kleurherkenning optimaal toegepast: per coupure eenduidigheid van kleur doch met vele genuanceerde tinten. Tevens hebben deze gekleurde inkten het werk van de vervalsers bemoeilijkt. Deze hadden met de uitvinding van de fotografie een geducht wapen in handen gekregen en daarom vermeed in België bijvoorbeeld de Nationale Bank al spoedig een zwarte opdruk en drukte haar biljetten in de vorige eeuw overwegend in het weinig fotogenieke blauw.

Maar ook in de 20e eeuw maakten valsemunters gebruik van de modernste technieken. Dat ondervond men in Nederland. Nauwelijks waren daar de Oxenaar-biljetten in circulatie of de reproductietechniek ontwikkelde zich met rasse schreden. Vooral de bruine kleur van het ƒ 100-biljet met Michiel de Ruyter leende zich goed voor illegale vermenigvuldiging. Daarom besloot men het toenmalige reservebiljet zo spoedig mogelijk te ontwikkelen en in circulatie te brengen. Zo'n reservebiljet wordt vaak door een emissiebank in voorraad gehouden om in geval van nood naast - en het wordt dan een hulpbiljet - of ter vervanging van een bepaald bankbiljet uit te geven. Naast en langzamerhand in plaats van De Ruyter kwam zo in 1981 het ƒ 100-biljet met de snip in circulatie; inderdaad overwegend bruin, maar aan de keerzijde een waaier van kleuren waar geen kopieermachine tegenop kan.

Ook in de typografische compositie van biljetten werd in de loop der jaren de eis van herkenbaarheid der afzonderlijke coupures steeds stringenter toegepast. Zelfs opgevouwen kunnen de Nederlandse coupures aan de typografie van de waardeaanduiding (in letters en/of cijfers) worden herkend. Door invoering van aparte tekens werd die herkenning in 1971 tot een tastbare uitgebreid. Sinds de uitgifte van het ƒ 10-biljet met Frans Hals hebben de Nederlandse biljetten voelbare herkenningstekens voor visueel gehandicapten. Vele andere centrale banken hebben dit initiatief overgenomen.

Van de eisen van herkenbaarheid en beveiliging heeft de laatste de oudste rechten. De eerste Nederlandse bankbiljetten, naar hun rood-bruine opdruk wel roodborstjes genoemd, leken qua uiterlijk op gewone kwitanties. Hun opschrift luidde: "ontvangen van Toonder de Somma van... Guldens, om, op vertooning, aan Toonder te restitueren". Hoe eenvoudig van uiterlijk, toch waren zij reeds tegen namaak beveiligd. Het papier was van een watermerk voorzien. De opdruk in boekdruk werd maar liefst met meer dan tien lettersoorten uitgevoerd. In Nederland was er in het begin van de negentiende eeuw slechts één drukker die dergelijk ingewikkeld drukwerk kon uitvoeren, omdat hij zoveel letterkasten bezat: Johannes Enschedé en Zonen te Haarlem. Deze werd dan ook de drukker van de Nederlandse bankbiljetten en is dat met een enkele uitzondering tot nu toe gebleven.

Enschedé beschikte over een procédé waarmee hij in staat was muziekschrift in boekdruk te drukken volgens de methode Fleischman. Voor handelsdoeleinden was deze methode te duur, maar hij was zo uniek dat hij in 1814 werd aangewend voor de bankbiljetten. In een decoratieve rand daarop treft men al dan niet opzettelijk beschadigde typen van muziektekens aan die de biljetten tegen namaak moesten beschermen.

Een andere beveiliging van de oudste bankbiljetten bestond erin ze gedeeltelijk met de hand te laten invullen. Het nominale bedrag en het volgnummer, beide in letters en cijfers, en de datum verschenen in vijf verschillende handschriften op de biljetten. Bovendien werden ze aanvankelijk door de president, twee directeuren en de secretaris van de Bank met de hand ondertekend. Hieruit kan men overigens opmaken dat de biljettencirculatie in die dagen nog geen grote omvang had.

De coupures bestonden uit biljetten van 1000, 500, 300, 200, 100, 80, 60, 40 en 25 gulden; geen van alle bedragen die de modale man dagelijks door zijn handen liet gaan. De blanco keerzijde van deze biljetten maakte endossering mogelijk; endossement.

In 1849 publiceerde de Académie Internationale des Siences een rapport, waarin zij de nationale regeringen ertoe aanspoorde het technisch onderzoek zodanig te stimuleren dat valsemunterij 's lands belangen niet meer zou verstoren. Bij de sinds 1860 uitgegeven Nederlandse bankbiljetten werd de boekdruk dan ook grotendeels door de gravure vervangen. Maar ondanks hun sierlijke randlijst en hun bedrukte keerzijde bleven de biljetten toch het karakter van veredeld handelsdrukwerk behouden.

Toen het Nederlandse bankbiljet in 1904 de status van wettig betaalmiddel kreeg, werd tevens een ƒ 10-biljet als laagste coupure ingevoerd. Om het individuele aspect te vergroten en daardoor het risico van namaak te verkleinen, werd een kunstenaar uitgenodigd tot het maken van een ontwerp. Hierdoor kreeg het biljet een esthetisch karakter, maar later zou wel eens blijken dat het ontwerp van de kunstenaar niet altijd in overeenstemming was met het program van eisen van de Bank en haar drukker.

Zo voegde prof. Nicolaas van der Waay die ook de paneelbeschilderingen op de Gouden koets vervaardigde, het tientje met de allegorieën van Arbeid en Welvaart in blauw aan de reeds bestaande serie toe. Ook de "lappen" uit de twintiger jaren met een meer beschouwelijke dan robuuste Nederlandse maagd waren van zijn hand. Hierbij werd het procédé van meerkleurendruk toegepast. In 1926 werd een f 20-biljet ingevoerd en in 1930 een f 50-biljet, het bekende art décobiljet met de gestileerde Minervakop, ontworpen door Jac. Jongert.

In Nederland kreeg men langzamerhand de gewoonte de biljetten min of meer individueel uit te geven. Ter beveiliging ontstond hier in de dertiger jaren een diversiteit aan afzonderlijke biljetten, vele ontworpen door C. A. Lion Cachet Cachet, alle met een eigen esthetisch karakter. Hun motieven waren veelal ontleend aan de Nederlandse schilderkunst uit de Gouden eeuw.

Na de Tweede Wereldoorlog vond er een geldzuivering plaats onder leiding van minister van financiën P. Lieftinck wiens naam verbonden werd aan het zogenaamde Lieftincktientje. Korte tijd werden enkele biljetten in Engeland gedrukt, maar weldra liet de Bank haar biljetten als vanouds bij Joh. Enschedé vervaardigen. Bovendien besloot ze weer in serieverband uit te geven.

Zo verschenen series met portretten van Nederlandse erflaters: Rembrandt, Erasmus, Huygens en Grotius door J. F. (Eppo) Doeve; en Spinoza, De Ruyter, Sweelinck en Frans Hals door Oxenaar. Inmiddels had de Bankwet van 1948 een coupure van 5 gulden toegestaan die uiteindelijk in 1966 met het portret van Vondel in circulatie kwam.

Omwille van de individuele visuele herkenbaarheid van de coupures is men nu weer van serie-uitgifte afgestapt. Elke coupure krijgt zijn eigen thema met een motief dat bovendien niet meer aan een persoon is gebonden: een gedepersonaliseerd motief. In plaats van een portret wordt bijvoorbeeld een zonnebloem afgebeeld, zonder daarom nochtans een natuurserie in te luiden. Dat ƒ 50-biljet met de zonnebloem is overigens evenals het in 1986 in te voeren biljet van ƒ 250 vuurtoren het resultaat van meer dan één ontwerper.

Een bijzondere vorm van bankpapier in Nederland is het bankiersbiljet, een speciaal soort bankbiljet waarvan de circulatie beperkt is tot financiële instellingen en dat slechts in rekening betaalbaar is. In 1914 bij het begin van de Eerste Wereldoorlog heeft zo'n bankiersbiljet van ƒ 5.000 ter voorziening in de buitensporige vraag naar geld als hulpbiljet tussen de banken gecirculeerd.

b. België In België werden de eerste biljetten van de Nationale Bank uitgegeven in coupures van 1000, 500, 100, 50 en 20 frank, eind 1851 voor een totaal van 50 miljoen. Zij waren gedrukt in hoogdruk op zuiver houtvrij papier met watermerk. Op de keerzijde treft men een identieke druk in spiegelbeeld tegen een gekleurde veiligheidsachtergrond aan. Deze biljetten werden uit talonboekjes gescheurd, droegen een fiscaal zegel en de meeste van hen waren met de hand ondertekend en genummerd. Weldra ging men om veiligheidsredenen over op druk in blauw, dat zich minder gemakkelijk liet fotograferen dan zwart.

In de periode tussen de Frans-Duitse oorlog en de Eerste Wereldoorlog zouden enkele van deze kenmerken verdwijnen, zoals de fiscale stempels, de geschreven handtekeningen en het souche of de talon.

In 1884 schakelde men voor het 20-frankbiljet over op vierkleurendruk dat spoedig algemene toepassing vond. In 1887 verscheen het eerste tweetalige biljet, een 50-frankcoupure, en bij de eeuwwisseling werd de nieuwe handelsnaam Nationale Bank van België op de biljetten ingevoerd.

Ter bestrijding van de geldschaarste in 1914 werd de inwisselingsplicht van de Bank opgeschort en bracht zij een 5-frankbiljet in circulatie en vervolgens biljetten "Rekening- courant" met o.a. coupures van 1 en 2 frank. Ook sommige gemeentebesturen en instellingen gaven tijdens de Eerste Wereldoorlog gemeentelijke en particuliere noodbiljetten uit. Omdat de regering het drukmateriaal en de biljetten van de Bank naar Engeland had overgebracht, ontnam de Duitse bezetter de Bank haar emissierecht.

Bij de Société Générale, nu Société Générale de Belgique geheten, richtte de bezetter een uitgiftedepartement op dat een reeks biljetten in omloop bracht met de portretten van koningin Louise Marie en de schilder Rubens, ook met coupures van 1,2 en 5 frank. Deze biljetten zouden verwisseld kunnen worden tegen biljetten van de Nationale Bank, ten laatste drie maanden na de vredesluiting.

Na de wapenstilstand in 1918 herkreeg de Nationale Bank haar uitgifteprivilege. Zij gaf sinds 1920 de Nationale reeks uit met het dubbelportret van koning Albert I en koningin Elisabeth en vervolgens de Anto Carte- en Vloors-biljetten, zo genoemd naar hun ontwerpers.

In 1929 volgde de uitgifte van een 10.000-f rankbiljet naar ontwerp van C. Montald. Na het beëindigen van de Latijnse Muntunie liet België in 1926 de naam frank officieel vallen en werd de nominale waarde van 1927 tot 1944 uitgedrukt in een nieuwe munteenheid: de belga, ter waarde van 5 Belgische frank. Inmiddels had de Bank in 1926 het uitgifterecht voor het 20- en 5-f rankbiljet overgedragen aan de schatkist; hetzelfde gebeurde in 1935 voor de 50-frankcoupure.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog drongen de Duitsers de Reichsmark op en zagen noodbiljetten weer het licht. De bezetter aanvaardde de Belgische bankbiljettenvoorraad, die aanvankelijk naar Engeland was weggevoerd, maar in juli 1940 weer naar België terugkeerde. De biljettenomloop was gedurende de oorlog verdrievoudigd, wat bij de bevrijding aanleiding gaf tot een geldsanering onder leiding van minister Camille Gutt, de Gutt-operatie. Daarbij werden onder meer de biljetten van de Bank uit omloop genomen en gedeeltelijk terug betaald met de zogenaamde Londense biljetten.

Spoedig daarop gaf de Bank de dynastiereeks uit, van 1945 tot 1948, met portretten van de koningen Leopold I en II en Albert I. Deze biljetten werden nog steeds in hoogdruk gedrukt. De volgende serie, uitgegeven sinds 1950 bij het 100-jarig bestaan van de Nationale Bank en daarom eeuwfeestreeks genoemd, is een combinatie van plaat- en hoogdruk. Bij de twee jongste reeksen, gewijd aan Belgische historische figuren zoals Lombard, Van Orley, Vesale, Mercator, Beyaert, Meunier, Gretry en Gezelle, gaan uiteindelijk hoog- en plaatdruk samen met offset.

c. Luxemburg In Luxemburg, dat van 1815 tot 1890 in personele unie met het Koninkrijk der Nederlanden was verenigd, gaf in 1856 prins-stadhouder Hendrik, broer van koning Willem III, aanzet tot oprichting van de Internationale Bank in Luxemburg (Banque Internationale à Luxembourg, BIL). Deze bank kreeg emisierecht voor biljetten in guldens, franken en talers. Enkel coupures van 10 taler en van 25 en 100 frank werden gerealiseerd en werden aanvankelijk door de schatkist geaccepteerd. Tot een uitgifte in guldens is het nooit gekomen.

In 1876 werd de taler als munteenheid vervangen door de mark en werden de biljetten van een opdruk in die waarde voorzien. In 1900 gaf de BIL bovendien coupures van 20 en 50 mark uit. In 1914 werden haar biljetten wettig betaalmiddel en ging zij over tot uitgifte van 1,2 en 5 markbiljetten.

Na de Tolunie met België in 1922 heeft zij sinds 1923 nog slechts een 100 frankbiljet in circulatie gebracht; de emissies van1947 en haar jubileumjaar 1956 volgens ontwerp van Nina en Julien Lefèvre.

In 1976 fuseerde de BIL met Banque Lambert-Luxembourg, een filiaal van Banque Bruxelles-Lambert. Zij heeft geen eigen drukkerij en liet haar drukwerk na de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld verzorgen door Imprimerie Oberthur in Parijs en door Bradbury, Wilkinson & Co te New Malden in Engeland.

Optimisme over de ontwikkeling van de Luxemburgse economie leidde in 1873 tot oprichting van een tweede emissiebank, de Grossherzoglich-Luxemburgische Nationalbank (Banque Nationale du Grand-Duché de Luxembourg). Haar biljetten van 5,10 en 20 taler werden echter niet door de schatkist aangenomen. Ze werden gedrukt door B. Dondorff & C. Naumans te Frankfurt am Main en door de huisdrukkerij van de Nationale Bank in Brussel. In 1881 raakte de Nationalbank echter in moeilijkheden en moest zij haar deuren sluiten.

Hoewel de biljetten van de BIL in 1914 de status van wettig betaalmiddel hadden gekregen, ging het Ministerie van Financiën in dat jaar over tot uitgifte van zogenaamde bons de caisse (bon de caisse), Kassenscheine of schatkistbiljetten in coupures van 1, 2, 5, 20, 25 en 125 frank. Deze bleven ook na de Tweede Wereldoorlog in circulatie. In 1919 werden biljetten van 50 centime en van 10 en 500 frank toegevoegd. Op de sinds 1922 uitgegeven bons de caisse van 10, 20, 50, 100 en 500 frank is de waarde enkel nog in franken uitgedrukt die met de Belgische frank correspondeerden. Toen België echter in 1935 zijn frank devalueerde, voerde Luxemburg haar eigen frank (frang) in tegen een koers van 1 ¼ Belgische frank. In 1940 werd een schatkistbiljet van 1000 frang uitgegeven.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de Luxemburgse biljetten tot 1941 voor Duits geld omgewisseld tegen 12 ½ Reichspfennig per frang. Voor die oorlog waren de bons de caisse gedrukt bij Giesecke & Devrient in Leipzig, de firma's Emile Schroell en Mathias Huss in Luxemburg, F. van Bruggenhoudt in Brussel, Johannes Enschedé en Zonen in Haarlem en de American Bank Note Company. Bij de laatste en in Engeland bij Bradbury, Wilkinson & Co en Waterlow & Sons liet de Luxemburgse regering reeds voor het einde van de oorlog het zogenaamde bevrijdingsgeld drukken, biljetten in coupures van 100, 50, 20, 10 en 5 frank.

Dit werd in het midden der vijftiger jaren van de 20e eeuw, met uitzondering van het 5-frankbiljet, vervangen door een reeks, ontworpen en gedrukt door Bradbury Wilkinson, terwijl tussen 1956 en 1967 tevens een 100-frangbiljet circuleerde naar ontwerp van E. Goergen en gedrukt door de Nationale Bank van België, alle met het portret van groothertogin Charlotte.

Na haar abdicatie in 1964 werd een serie ingevoerd met een portret van groothertog Jan, eveneens gedrukt in Engeland. Sinds juli 1985 bracht bovendien het Institut Monetaire Luxembourgeois een 1000-frankbiljet in omloop.

Gedurende en na de Eerste Wereldoorlog hebben in Luxemburg door gebrek aan kleingeld gemeentelijke en particuliere betalingsbonnen gecirculeerd. Na de opmars van de geallieerde troepen in 1944 tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Belgische bankbiljetten, voorzien van het gemeentestempel van Clervaux, als gemeentelijk noodgeld tot de circulatie toegelaten. Als zodanig zijn coupures van 100 en 1000 frank bekend.

G.