Ga naar: navigatie, zoeken

Latijnse Muntunie

België, Leopold II (1865-1909), medaille ter waarde van 5 francs 1880, zilver, vanwege het verbod van 1878 zonder de status van wettig betaalmiddel.

Latijnse Muntunie, muntverdrag op 23 december 1865 gesloten tussen Frankrijk, België en Italië, waarbij in de deelnemende landen een gelijkvormig muntstelsel werd ingevoerd dat steunde op de Franse wetgeving van 1803. Overal werden gouden, zilveren en koperen munten van hetzelfde gewicht, gehalte en formaat geslagen, met behoud van eigen benamingen en beeldenaars.

Bovendien besloten de deelnemers eikaars munten als betaalmiddel aan de openbare kassen aan te nemen, hoewel deze alleen binnen het eigen territoir wettig betaalmiddel waren. Deze overeenkomst trad in werking op 1 augustus 1866, in welk jaar ook Zwitserland toetrad. In 1868 sloot Griekenland zich aan. Verschillende andere landen werden weliswaar geen lid, maar gingen wel volgens dezelfde voorschriften munten, bv. Spanje en Roemenië.

De Latijnse Muntunie hanteerde aanvankelijk de dubbele standaard (bimetallisme) met een vaste wettelijke verhouding tussen goud en zilver (0,2903g goud of 4,5g zilver per franc). Verschuiving in deze verhouding, o.a. door invoering van de gouden standaard in het Duitse Rijk, Nederland e.a., leidde in 1874 tot beperking en in 1878 zelfs tot een verbod van de aanmunting van 5-frankstukken. Men bleef echter kleinere stukken aanmaken; deze waren van een relatief lager gehalte en waren nooit standaardmunt geweest.

Hierdoor was de Latijnse Muntunie overgegaan op De hinkende standaard en in 1885 voerde men uiteindelijk de gouden standaard (monometallisme) in. De binding aan het goud verviel evenwel in 1914 waardoor het papiergeld in diverse mate deprecieerde (in koers werd verlaagd) en er koersverschillen optraden tussen de geldeenheden van de deelnemende landen. In feite bestond de Muntunie toen niet meer en in 1925 werd zij dan ook formeel opgeheven.

G.

Lit.: Niederer, A., Die lateinische Münzunion, Hilferdingen, 1975.