Ga naar: navigatie, zoeken

Muntheer

muntheer, de gezagsdrager die het muntrecht heeft, of zich heeft toegeëigend en die de muntmeester onder bepaalde voorwaarden toestemming geeft munten te slaan. Vroeger waren dat in de Nederlanden de (bijna) zelfstandige vorsten, zoals de hertogen van Brabant, Gelderland (Gelderland, landsheerlijke periode) en Luxemburg, de graven van Holland (Holland, graafschap), Henegouwen en Vlaanderen, alsmede de bisschoppen van Luik en Utrecht (Utrecht, bisdom). In de late middeleeuwen kwamen daar enkele lokale heren en steden bij, zoals Arnhem, Deventer, Groningen, Kampen, Nijmegen, Utrecht, stad, Zutphen en Zwolle; (Drie Steden).

Na de opstand tegen Philips II en de afzwering in 1581 trokken in het noorden de gewesten het muntrecht naar zich toe. In de moderne tijd wordt het muntrecht uitgeoefend door de soevereine staten en is de muntslag per muntwet geregeld. In de moderne vorstendommen staan nog steeds de naam, titels en vaak ook het portret van de regerende vorst op de munten.

Zie ook de lijst muntheren in de Nederlanden.