Ga naar: navigatie, zoeken

Utrecht, bisdom

Utrecht, bisdom, Willibrord werd in 695 door de paus tot de eerste aartsbisschop der Friezen gewijd. Zijn standplaats werd Utrecht. Omdat de oprichting van suffragaanbisdommen uitbleef, ging de status van aartsbisdom weldra verloren. De geestelijke macht van de bisschop strekte zich uit over het huidige Nederland met uitzondering van het deel ten zuiden van de Waal, de Achterhoek en Frisia tussen Eems en Lauwers.

Ten gevolge van de invallen van de Noormannen werd de bisschopszetel verplaatst, rond 860 naar Roermond en sinds bisschop Radboud (901-918) naar Deventer. Pas bisschop Balderik (918-976) kon weer naar Utrecht terugkeren. Hij en zijn directe opvolgers waren getrouwe aanhangers van de keizer en werden daarvoor beloond met wereldlijke macht die zich in de 11e eeuw uitstrekte over de huidige provincie Utrecht, Teisterbant (tussen Lek en Maas), de Veluwe, Salland, Twente en Drenthe met de stad Groningen en sinds 1077 ook Friesland.

In de 12e eeuw boette de wereldlijke macht van de bisschop in door de steeds groeiende landhonger van naburige vorsten. Teisterbant en de Veluwe vielen toe aan Gelre waardoor het Nedersticht (Utrecht) van het Oversticht (Overijssel en Drenthe) werd gescheiden. De heerschappij over Friesland moest worden gedeeld met Holland. Tijdens het wanbestuur van elect Jan van Nassau (1267-1290) was nagenoeg het hele Nedersticht aan Floris V verpand en werden de landen van Amstel en Woerden aan Holland afgestaan.

Jan van Arkel wist ca. 1350 zijn wereldlijke macht te herstellen en na hem kreeg de paus meer invloed op de bisschopbenoeming. Dit leidde na de dood van Frederik van Blankenheim in 1423 tot een schisma waarbij Rudolf van Diepholt als postulaat van de kapittels tegenover de pauskandidaat Zweder van Culemborg kwam te staan. Deze geschiedenis herhaalde zich na Rudolfs dood: de kandidaat van de kapittels Gijsbrecht van Brederode moest in 1456 het veld ruimen voor David van Bourgondië die gesteund werd door zijn vader Philips de Goede en de paus. Ook zijn opvolgers Frederik van Baden en Philips van Bourgondië waren verwanten van de Bourgondisch-Habsburgse vorsten in de Nederlanden. Uiteindelijk moest bisschop Hendrik van Beieren in 1528 zijn wereldlijke macht overdragen aan Karel V die daarmee heer van Utrecht werd.

In 937 ontving bisschop Balderik de inkomsten uit de (op te richten?) keizerlijke munt te Utrecht, doch dit werd in 953 omgezet in het recht om in Utrecht aan te munten. In 999 ontving bisschop Ansfried (995-1010) ook zo'n recht in Zaltbommel in zijn graafschap Teisterbant. De muntslag vond aanvankelijk nog plaats op naam van de keizer aan wie het muntregaal toebehoorde. Vanaf bisschop Bernold (1027-1054) werden penningen op naam en met het portret van de bisschop gemunt. In 1040 werd het bisschoppelijke muntrecht uitgebreid met de munt te Groningen en in 1046 te Deventer. (Aan het eind van de 12e eeuw sloeg de graaf van Gelre als voogd van het kapittel van St. Marie te Zutphen penningen op naam van Utrecht.)

Tijdens Jan van Nassau werd de bisschoppelijke munt in Utrecht gesloten. Hij opende een atelier in Zwolle, doch moest toestaan dat zijn ambtmannen in Vollenhove en Salland, de heren van Kuinre en Voorst, op eigen naam de bisschoppelijke muntslag gingen aanvullen met sterlingen en dergelijke. Spoedig demonstreerde ook de muntslag van de drosten van Drenthe (burggraven van Coevorden) en de prefecten van Groningen (heren van Selwerd) de verminderde wereldlijke macht van de bisschoppen wier muntslag geheel tot stilstand was gekomen.

Pas Frederik van Blankenheim wist rond 1395 aan deze ongewenste inbreuk op het bisschoppelijke muntrecht door de leenmannen een eind te maken. Inmiddels had waarschijnlijk reeds Jan van Diest (1322-1341) de aanmuntingen hervat te Vollenhove. Jan van Arkel (1342-1364) heropende de munt van het Nedersticht en muntte waarschijnlijk te Deventer leeuwengroten met het ongebruikelijke ZALANDIA (Salland, bedacht als vervanging van FLANDRIA op het voorbeeld) in het omschrift en vervolgens te Utrecht en Deventer een reeks groten en onderdelen volgens het vz-type van de Keulse tournose uit 1343 van aartsbisschop Walram van Gulik (1332-1349): op de vz het gemijterde borstbeeld van de bisschop boven het Arkelse wapen.

Jan van Verneburg (1364-1371) verplaatste de Utrechtse munt naar De Weerd buiten de stad hetgeen op de munten tot uiting komt door het omschrift MONeta INSVLE TRAiectensis (munt van de Utrechtse Weerd). Behalve Weerdse groten met onderdelen die van hetzelfde type ook in Amersfoort werden aangemunt, werden in het Oversticht o.a. plakken geslagen in navolging van de Vlaamse zilveren leeuw (plak van 2 groot) uit 1365 met het omschrift MONETA DE ZALANDIA, waarschijnlijk geslagen te Kampen. De reeks plakken en Weerdse groten werd voortgezet door Arnold van Horn (1371-1378) die echter als pandheer van de Veluwe sinds 1375 ook te Harderwijk aanmuntte volgens het portrettype van Jan van Arkel. De stad Utrecht vervaardigde in aanvulling hierop kleingeld; Utrecht, stad.

Van Floris van Wevelinghoven (1379-1393) zijn de oudste Utrechtse goudstukken bekend: schilden en naar Gelders voorbeeld Rijnse guldens. Daarnaast muntte hij te Deventer plakken en groten en onderdelen met het bisschopsportret op de vz en een enkelkoppige adelaar op de kz. Rond 1390 zijn daar naar Hollands voorbeeld nog labayen aangemunt, de zogenaamde Deventer groten.

Tijdens Frederik van Blankenheim (1393-1423) werd de munt van De Weerd (Weerd) overgebracht naar Rhenen en werden er plakken en dubbele plakken of ganzen (gans van Deventer, Hasselt (NL) en Rhenen) geslagen die in de loop der tijd steeds slechter werden. Aan het eind van zijn regering verschenen rond 1420 de lichte fredericusguldens en de kromstaarten.

Zweder van Culemborg sloeg in of na 1425 te Rhenen dubbele groten in navolging van de Dordrechtse en Hollandse tuinen van Jan van Beieren uit 1421-22. Tijdens zijn strijd tegen Philips de Goede trok Zweder zich terug op Bunschoten, waar hij in 1427-1428 liet aanmunten. Van deze emissie is alleen een halve groot naar Hollands voorbeeld bekend.

Tot zijn opvolger werd in 1433 Walram van Meurs naar voren geschoven. Deze kon zijn bisschopszetel niet in bezit nemen en heeft waarschijnlijk te Keulen St. Maartensguldens laten slaan met de titel ELECTVS TRAIECTENSIS en in 1445 Rijnse guldens op naam van zijn heerlijkheid Baar, doch met het bisschoppelijke wapen. Deze muntslag vond waarschijnlijk te Arnhem plaats, in die tijd werden ook guldens geslagen op gezamenlijke naam van hem als heer van Meurs en zijn broer Dirk van Meurs, aartsbisschop van Keulen 1414-1463). De tegenkandidaat van Zweder en Walram, Rudolf van Diepholt, muntte reeds als postulaat (1425-1433) o.a. de lichte postulaatgulden, waarvan de aanmunting tijdens zijn muntslag als bisschop (1433-1455) werd voortgezet. Niet onaanzienlijk was zijn aanmunting van Deventer kromstaarten van een geheel eigen type.

Na zijn dood werd door Philips van Bourgondië diens bastaardzoon David als bisschop opgedrongen ten koste van Gijsbrecht van Brederode. Onder diens bewind (1455-1496) volgde althans in het Nedersticht een zeer sterke aanpassing aan de Bourgondische muntslag. De munt werd in 1464 van Rhenen naar zijn residentie Wijk bij Duurstede verplaatst. Door hem zijn een negental emissies in omloop gebracht met o.a. in 1457 het davidsschild en de davidsstuiver, in 1464 de davidsgulden, in 1474 de jager (naar voorbeeld van Groningen), in 1482 het dubbele vuurijzer, in 1487 de dubbele stuiver en in 1494 de christusgulden.

Vanaf 1466 sloeg Deventer (zoals eerder reeds Kampen en later ook Zwolle) echter eigen geld, wel met het wapen van de bisschop, doch zonder diens naam en titel op de munten. In 1460 ging de stad Utrecht, na een onderbreking van vele jaren, ertoe over weer eigen kleingeld te slaan en in het Oversticht verbonden de Drie Steden zich in 1479 tot aanmaak van eigen munten om paal en perk te stellen aan de muntverzwakking van de bisschop. Gedurende 1481-1483 muntte de tegenbisschop Engelbert van Kleef, waarschijnlijk in Utrecht, St. Maartensguldens en braspenningen.

Onder Frederik van Baden (1496-1517) werd de aanmunting van de christusgulden voortgezet; tevens werden St. Jansguldens en braspenningen geslagen. Philips van Bourgondië (1517-1524) liet zgn. dominusguldens met de tronende bisschop en dubbele stuivers (met onderdelen) slaan en na de dubbele stuivers en onderdelen van Hendrik van Beieren (1524-1528) kwam aan de bisschoppelijke muntslag van Utrecht een einde. Het wapen van het bisdom bevatte in rood een kruis van zilver; het wapen van de bisschoppen was gevierendeeld met het wapen van het bisdom en hun familiewapen. Het wapen van het Oversticht was rood met een schildhoofd van zilver.

G.

Utrechtse bisschoppen die op eigen naam hebben gemunt en hun muntplaatsen

a. als heer van Nedersticht: Amersfoort (A), Bunschoten (B), Rhenen (R), Utrecht (U), De Weerd (dW) en Wijk bij Duurstede (W);

Bernold 1027-1054 U,G,D
Willem 1054-1076 U,G,D
Koenraad 1076-1099 U, G, D, S
Burchard 1100-1112 U
Andries van Cuyk 1127-1139 D
Hartbert van Bierum 1139-1150 u
Herman van Horn 1150-1156 U
Godfried van Rhenen 1156-1178 U,D,S
Boudewijn van Holland 1178-1196 U,S
Diederik van Ahr 1198-1212 U,D,S
Otto van der Lippe 1216-1227 D,S
Wilbrand van Oldenburg 1227-1233 U,D
Otto van Holland 1234-1249 U
Hendrik van Vianden 1249-1267 U,D
Jan van Nassau 1267-1290 Z
Jan van Diest (?) 1322-1341 V
Jan van Arkel 1342-1364 U,D
Jan van Vemeburg 1364-1371 dW,A,K?,V
Arnold van Hom 1371-1378 dW, K, Hw
Floris van Wevelinghoven 1379-1393 U,D
Frederik van Blankenheim 1393-1423 R,D,H
Zweder van Culemborg 1425-1433 R,B
Rudolf van Diepholt 1433-1455 R,D,H
David van Bourgondië 1455-1496 R,W
Engelbert van Kleef 1481-1483 U?
Frederik van Baden 1496-1517 W,H?
Philips van Bourgondië 1517-1524 W
Hendrik van Beieren 1524-1528 w

b. als heer van het Oversticht: Deventer (D), Groningen (G), Hasselt (H), Kampen (K), Vollenhove (V) en Zwolle (Z);

c. als heer van Friesland: Stavoren (S);

d. als pandheer van de Veluwe 1375-1378: Harderwijk (Hw);

e. als graaf van Teisterbant: Zaltbommel (Za)


Lit.:

Blanchet, A., Monnayage d'Engelbert de Clèves évêque d'Utrecht, JMP (1953) 141-143;

Dolley, R.H.M., en Meer, G. van der, Een munt van Bisschop Bernoldus, gevonden in Engeland, JMP (1957) 54-56;

Fortuyn Droogleever, J., De muntslag van Floris van Wevelinkhoven, bisschop van Utrecht 1379-1393, De Beeldenaar (1989) 119-122;

Gelder, H. Enno van, Weerdse groten, JMP (1961) 89-91;

idem, de Utrechtse munten ten tijde van bisschop David van Bourgondië, JMP (1971/72) 10-50;

idem, Onbekende Middeleeuwse munten, JMP (1952) 90-92 en (1953) 138-140;

idem, Oostnederlands geld omstreeks 1400, JMP (1980) spec. 55-64;

Schulman, A., Een onbekende Groot van Zweder van Kuilenburg, Bisschop van Utrecht (1425-1426), te Rhenen geslagen, JMP (1919) 61-67.



  • Utrecht bisdom bisschopsgulden fred v Blank.jpg
  • Utrecht bisdom christusgulden david van bourgondie.jpg
  • Utrecht bisdom deventer kromstaart.jpg
  • Utrecht bisdom dubb stuiver fred v baden.jpg
  • Utrecht bisdom kleef engelbert.jpg
  • Utrecht bisdom obool Boudewijn v Holland.jpg
  • Utrecht bisdom penning burchard.jpg
  • Utrecht bisdom penning diederik van ahr.jpg
  • Utrecht bisdom postulaatgulden kat gulden met de.jpg
  • Utrecht bisdom stuiver 1457.jpg
  • Utrecht bisdom stuiver 1526.jpg
  • Utrecht boudewijn van Holland penning.jpg
  • Utrecht hendrik III penning Utrecht.jpg
  • Utrecht hendrik v vianden penning.jpg
  • Utrecht jan van arkel groot.jpg
  • Utrecht postulaatgulden rudolf v Diepholt.jpg
  • Utrecht wilbrand van oldenburg penning.jpg