Ga naar: navigatie, zoeken

Rekenmunt

rekenmunt, aanduiding voor een geldeenheid die niet met een concreet muntstuk (c.q. biljet) overeenkomt. Zo werd tot de invoering van de euro onder daalder nog steeds verstaan een bedrag van ƒ1,50, hoewel sinds 1847 geen munt van die waarde meer in Nederland circuleerde, en drukten Fransen tot 2002 bedragen soms nog uit in anciens francs, ofschoon die in 1960 al door nieuwe franken = 100 oude franken zijn vervangen.

Sommige rekenmunten vinden hun oorsprong in de vroege Middeleeuwen toen de zilveren penning de enige geslagen munt was. Bij grotere bedragen noemde men 12 stuks een schelling en 240 stuks een pond. Omdat de geslagen penningen naar plaats en tijd verschilden, hadden ook de rekenmunten schelling en pond uiteenlopende waarden; er werd dan ook onderscheid gemaakt tussen bijv. ponden Hollandse penningen en ponden Leuvense penningen.

Toen later grotere zilverstukken werden ingevoerd, zijn deze termen daarop analoog toegepast: een bedrag van 12 Vlaamse groten heette schelling en 240 groten een pond Vlaams (tot in de 18e eeuw in Zeeland als rekenmunt van 6 gulden gebruikt). In Frankrijk diende het livre tournois van 20 sous a 12 deniers tot ca. 1795 om geldsommen uit te drukken, hoewel er meestal geen munten van 1 livre in omloop waren.

Andere rekenmunten zijn ontstaan in de late Middeleeuwen, toen de onderlinge verhouding tussen gouden munten, grote zilverstukken en klein zilvergeld veelvuldig aan wijziging onderhevig was. Zo had de veel gebruikte Rijnse gulden ca. 1466 een waarde van 20 zilveren stuivers; weldra werden echter stuivers van lagere zilverinhoud uitgegeven en werden voor een gouden gulden meer dan 20 (slechtere) stuivers geëist. Toch bleef men een som van 20 stuiver gulden noemen, zodat naast de concrete munt gulden die tenslotte opliep tot ca. 60 stuiver, een rekenmunt gulden met een vaste waarde van 20 stuiver was ontstaan (officieel vaak karolusgulden genoemd).

Op soortgelijke wijze zijn naast allerlei goudstukken met een wisselende waarde gelijknamige rekenmunten met een vaste waarde in gebruik gekomen: bijv. het (reken)schild van 24 groten naast het "goede oude koningschild" dat door de verzwakking van de groot een koers van 60 of meer groten kreeg. Ook zilverstukken gaven aanleiding tot rekenmunten: de Duitse zilveren daalder gold ca. 1560 in de Nederlanden 30 stuiver, maar steeg later (onder de naam rijksdaalder) tot 50 stuiver of 2½ gulden; desondanks bleef de term daalder als rekenmunt in zwang voor een bedrag van 30 stuiver of 1½ gulden.

De waarde van een rekenmunt wordt bepaald door een vaste verhouding tot een concreet geldstuk, dat wel aangeduid wordt als de "basismunt". Gewoonlijk is dat het in het verkeer meest gebruikte zilverstuk: eerst de penning, in de 14e eeuw de groot, sinds de 15e eeuw de stuiver. Zo is een pond Vlaams per definitie 240 groten, een pond Hollands 30, elders 40 groten, en karolusgulden 20 stuivers. Minder vaak dient een goudstuk als basismunt: in Zutphen was bijv. het stedelijk pond gelijk aan 1/3 gouden schild, zodat de waarde in lokaal zilvergeld telken jare moest worden bekend gemaakt. Nog anders is het met de waarde van het bankgeld, die afhing van het ter beurze genoteerde agio t.o.v. het gewone geld.

Wel te onderscheiden van de rekenmunten is de term "rekeningmunt", de rekeneenheid waartoe in een bepaalde boekhouding herleid worden de uiteenlopende concrete munten en rekenmunten waarin de afzonderlijke betalingen waren geformuleerd. Dat kan een concreet geldstuk zijn, zoals tegenwoordig gebruikelijk, maar was veelal een rekenmunt: pond Leuvens, schild van 24 groten, karolusgulden, bankgulden, arendsgulden van 10 stuiver enz.

E.v.G.

Lit.:

Gelder, H.E. van, Nieuwe guldens, Arnhemse guldens, Rijnse guldens enzovoort, in Boer, D.E.H. de, en J.W. Marsilje, De Nederlanden in de late Middeleeuwen, 1987, blz. 354-362;

Meyer, G.M. de, De stadsrekeningen van Deventer, I, 1968, Inleiding blz. XLIII-LVI;

Peeters, J.P., De Middeleeuwse rekenmunt in de Nederlanden, in: Baerten, J., Muntslag en circulatie in de Nederlanden, Brussel 1983, blz. 121-134.