Ga naar: navigatie, zoeken

Munten en papiergeld

Gouden medaillon op naam van Galla Placidia, dochter van Theodosius I (379-395), gevonden te Velp in 1715, goud.

Munten en papiergeld,

Munten zijn al ruim 2500 jaar in gebruik als betaalmiddel. De eerste Europese munten waren niet veel meer dan nauwkeurig gewogen klompjes goud of zilver of een mengsel daarvan met een instempeling die het gewicht garandeerde. Op het goud- of zilvergehalte werd in het begin minder gelet, omdat de daarvoor benodigde technologie ontbrak. Al vrij snel na de invoering van de eerste munten was men echter ook in staat het gehalte te garanderen. Hiermee kregen de munten een afgesproken waarde (= nominale waarde). Naast de functie van betaalmiddel werden ze vanwege hun goud- en zilverwaarde ook gebruikt voor schatvorming en mooie, waardevolle munten waren ook in trek als sieraad.


Vanaf de vijfde eeuw voor Christus ging men in Griekenland ook koperen munten gebruiken (Griekse muntslag. Deze koperen munten ontleenden hun koopkracht (effectieve waarde) in eerste instantie aan de metaalwaarde (de intrinsieke waarde). Dit was ook zo in Rome waar in de derde eeuw voor Christus gegoten koperen munten begonnen te circuleren gebaseerd op het gewicht van een Romeins pond van ca. 327 gram (Romeinse muntwezen).


In de derde eeuw na Christus verschenen er echter verzilverde munten waarvan de koopkracht niet meer gebaseerd was op de metaalwaarde, maar op een door de staat vastgestelde waarde ten opzichte van de gouden en zilveren munten. Munten met deze eigenschap noemt men ook wel tekenmunten. Dit systeem heeft niet goed gewerkt. Na de ondergang van het West-Romeinse rijk ontstond er in het oosten in het Byzantijnse rijk rond 500 na Christus wel een traditie van koperen tekenmunten (follis en onderdelen) dat men met enig vertrouwen kon gebruiken, omdat het te allen tijde inwisselbaar was tegen zilveren of gouden munten.


In West-Europa werden de eerste koperen munten pas weer aan het einde van de vijftiende eeuw ingevoerd. Goud en zilver bleef echter de hoofdrol spelen. De eerste Europese bankbiljetten ontstonden in de zeventiende eeuw maar slechte ervaringen met papiergeld zorgden ervoor dat het nog tot het einde van de 19e eeuw duurde, voordat het vertrouwen van het publiek groot genoeg was om deze geldvorm zonder intrinsieke waarde overal acceptabel te laten zijn. De basis van het gebruik van bankbiljetten berustte in de vorige eeuw op het vertrouwen in de solvabiliteit van de bank en dit werd versterkt door de bankwet waarin verschillende zaken als inwisselbaarheid en dekkingspercentage geregeld zijn. Deze begrippen worden nader besproken onder het hoofdstuk papiergeld.


Tegenwoordig ligt het geheel anders. Volgens de huidige bankwet zijn bankbiljetten niet alleen wettig betaalmiddel, maar ze zijn alleen verwisselbaar tegen andere bankbiljetten. Bankbiljetten en andere vormen van papiergeld behoren dus tot dezelfde geldsoort als munten met een lage metaalwaarde. Deze geldsoort ontleent zijn gebruikswaarde alleen aan het vertrouwen dat men er betalingen mee kan doen. Vanwege het vertrouwen noemt men dit fiduciair geld.


Zie hierna voor het vervolg van het systematische deel het hoofdstuk belangstelling voor het verzamelen.