Ga naar: navigatie, zoeken

Koper

koper, werd al in de oudheid als muntmetaal gebruikt. De eerste koperen munten in Europa werden in het begin van de 4e eeuw v. Chr.

gemaakt door de Grieken ter vervanging van zeer kleine zilveren munten. De Grieken haalden hun koper vooral uit Chalcis in Euboea; vandaar het Griekse woord "chalkos" voor koper. Buiten Europa vervaardigden de Chinezen al zeker honderd jaar eerder dan de Grieken koperen cashmunten.

In Olbia langs de Zwarte-Zeekust gebruikte men in de oudheid enige tijd zware gegoten, koperen munten, maar dat was een geïsoleerd verschijnsel.

Het hellenistische Egypte kende vanaf 220 v. Chr. grote, koperen munten, waarvan de zwaarste exemplaren ca. 90 gram wogen.

De Romeinen begonnen in de vroege derde eeuw v. Chr. met het vervaardigen van kopergeld, (Romeinse muntwezen), in de vorm van zware, gegoten koperen munten, de zogenaamde aes grave.

Het woord "aes" betekent in het Latijn koper of brons, zonder nader onderscheid; "grave" is zwaar. De Romeinen haalden hun koper deels uit Italië, veel uit Cyprus - vandaar het Latijnse woord "cuprum" voor koper - en in de Keizertijd vooral uit Spanje.

In deze aes grave werd een muntenreeks gevormd, uitgaande van de grootste eenheid, de as met een gewicht van één Romeinse pond (= 327 gram). De eerste Romeinse aes grave waren zo zwaar, omdat hun waarde gebaseerd was op het principe van de intrinsieke waarde.

Al snel voerden de Romeinen naast het moeilijk hanteerbare gegoten aes, voor de hogere waarden zilveren munten in (didrachmen) en tevens daarbij behorende kleine onderdelen (litrae) in geslagen koper.

Door de stijging van de koperprijs in de 3e eeuw v. Chr. als gevolg van de Punische oorlogen en ook om de hoge oorlogslasten te kunnen betalen, werd het zware aes grave vele malen gedevalueerd en daarmee daalde het gewicht van een as van 327 gram omstreeks 280 v. Chr. tot ongeveer 25 gram tegen het eind van de eeuw. Bijkomende voordelen van deze devaluaties waren dat de koperen munten nu hanteerbaarder werden en niet meer gegoten behoefden te worden.

Door de opkomst van het waardevoller zilvergeld werd het koper meer en meer teruggedrongen naar de laagste denominaties.

Met de munthervorming onder keizer Augustus (ca. 30-15 v. Chr.) werd een nieuw geldstelsel voor de keizertijd opgezet. Augustus' muntenreeks omvatte voor de lagere waarden een aantal koperen munten:

- sestertius (= ¼ denarius = 4 assen) in geelkoper - dupondius (2 assen) in geelkoper - as in roodkoper - dsemis (½ as) in geelkoper - quadrans (¼ as) in roodkoper

Deze muntenreeks in koper bleef bijna driehonderd jaar in gebruik naast de gouden en zilveren munten voor de grotere bedragen. Pas door de zware devaluatie van de oorspronkelijk zilveren, maar geleidelijk steeds meer koper bevattende antoninianus, werd het goede kopergeld (sestertius - dupondius - as) geheel uit de circulatie verdreven.

Diocletianus voerde bij zijn munthervorming omstreeks 294 verzilverd koperen munten in, maar ook dit had geen blijvend effect. In de 5e eeuw verdween het kleine verzilverde kopergeld zelfs vrijwel geheel uit de circulatie en moest men bij gebrek aan munten terugvallen op ruilhandel.

In het Byzantijnse rijk keerde het kopergeld met de munthervorming van keizer Anastasius (491-518) terug in de vorm van een nieuwe muntenreeks, gebaseerd op de koperen follis van 40 nummia. Velerlei denominaties werden in de 6e en 7e eeuw in omloop gebracht en circuleerden in grote aantallen tot in verafgelegen gebieden. Door devaluaties bleef tenslotte alleen de follis over; eeuwenlang heeft deze follis echter een uiterst belangrijke functie als kleingeld vervuld. Het Byzantijnse geldstelsel was immers gebaseerd op twee peilers: het goud voor de grote bedragen en het koper voor het kleingeld.

Ondanks vele aanpassingen, die in de ruim duizend jaar lange geschiedenis van het Byzantijnse rijk noodzakelijk bleken, is aan dit basisprincipe nooit iets veranderd. Tot de verovering door de Turken in de 15e eeuw bleven koperen munten in het Byzantijnse gebied belangrijk voor het dagelijkse betalingsverkeer.

Ook in de Arabische landen en India, alsmede in China, bleef koper voor kleine denominaties in gebruik tot in de 20e eeuw. In West-Europa waren er na de Romeinen eeuwen lang geen koperen munten meer. Pas in de 15e eeuw begon men daar weer kleingeld in koper uit te voeren, evenals bij de Romeinen naast zilver en goud. Dit gebeurde het eerst in Portugal en Italië. In de Nederlanden zijn de eerste muntjes van zuiver koper geslagen in het begin van de 16e eeuw door Utrecht, Groningen en Luik; in 1543 volgden de Bourgondische Nederlanden.

Vanaf de 19e eeuw gingen de meeste landen echter van koper over op het slijtvaster: brons, Nederland in 1877, België pas in 1952.

Koper voor de West-Europese munstslag kwam sinds de late Middeleeuwen voornamelijk uit midden- Duitsland, Hongarije en Zweden.

Later zijn er veel vindplaatsen bijgekomen in Rusland, Afrika (Katanga), Australië, Chili en de Verenigde Staten. Zie ook bij bronsziekte, bronzital, kopergroen en koperlegeringen.


  • Zweden, Frederik I (1720-1751), 1 daler silvermynt 1732, koper afm. 13 x 13 cm.
  • Koper bonk 2 stuiver 1818.jpg