Ga naar: navigatie, zoeken

Groningen, stad

Groningen, stad, als eerste stad in de Nederlanden heeft zij vanaf ca. 1350 op eigen gezag en naam in eerste instantie alleen zilveren munten geslagen. Pas in 1487 verleende de Duitse keizer Frederik III' 'Groningen formeel het recht goudgeld in slaan, waarbij tevens de praktijk van de slag van zilvergeld gesanctioneerd werd.

In de Groningse muntslag zijn verscheidene perioden te onderscheiden:

Eerste periode (ca. 1350-1560) De muntslag ving aan met imitaties van bekende muntstukken van elders, eerst van Franse zilverstukken (Tourse groot) en later van Vlaamse (plak, kromstaart en braspenning). In 1437 begon een regelmatige muntslag van eigen typen, deels van zeer hoog gestalte, waarop Groningen als eerste in de Nederlanden meestal jaartallen plaatste.

Van het in 1487 door de keizer verleende recht goudguldens te slaan heeft Groningen dadelijk gebruik gemaakt. Ze zijn eerst op naam van Frederik III en later op naam van Maximiliaan I geslagen met op de vz meestal in navolging van Frankfurt Sint Jan en op de kz de rijksappel, symbool van de keizerlijke waardigheid. Het gehalte van de zilveren munten van Groningen werd intussen steeds lager.

In 1479 en 1488 sloot Groningen met Deventer, Kampen en Zwolle, de Overijsselse steden met muntrecht, verdragen om deze tendens te keren. In tegenstelling tot de Overijsselse steden heeft dat in Groningen niet tot productie van verdragsmunten geleid.

Voor rekening van de Sint Maartenskerk zijn eind vijftiende eeuw kleine eenzijdige penningen van biljoen (braamse) geslagen, zoals eerder in Deventer was gebeurd.

Nadat Groningen zich genoodzaakt had gezien zich onder beschermheerschap van graaf Edzard van Oost-Friesland te stellen zijn in 1507/8 vanwege de graaf en de stad tezamen guldens geslagen en stuivers, gebaseerd op de Bourgondische stuiver.

Na deze korte episode is de stad Groningen weer op eigen naam gaan aanmunten, zij het tot 1560 zeer sporadisch.

Tweede periode (1560-1649) In 1591 is (ter gelegenheid van de stempeling van vreemde goudstukken in Groningen tezelfdertijd?) een goudgulden aangemunt, verder sporadisch daalders en rijksdaalders, deels op naam van keizer Rudolf II en weer met rijksappel/ adelaar als symbool van de keizerlijke waardigheid. Veel belangrijker was de aanmunting van kleinere munten, begonnen in 1560. De stad hanteerde hierbij een eigen stelsel van denominaties, typen en muntnamen.

Grondslag was de Groningse stuiver, verdeeld in 6 plakken. Deze stuiver was lichter dan die van de Bourgondische Nederlanden ter waarde van 1 1/3 Groningse stuiver of 8 plakken. Men muntte aan (in Groningse stuivers): een dubbele flabbe of langrok (8 st.) flabbe (4 st.), jager (2 st.) stuiver en onderdelen, waaronder een magermanneke (¼ st.) en een plak (1/6 st.) Na de overgang van de stad naar de kant van de opstandelingen in 1594 werd de in Groningen geslagen stuiver voortaan als een Nederlandse beschouwd (Brabantse stuiver) en in acht plakken verdeeld. De eigen Groningse stuiver van 6 plak werd afgeschaft. De plak zelf was aldus voortaan gelijk aan wat elders een duit heette: 1/8 stuiver. De aanmunting van deze kleinere munten van eigen Gronings type is in 1649 gestaakt.

Derde periode (1690-1694) Na een stilstand van ruim 40 jaar werd het Groningse stedelijke munthuis vanaf 1690 gedurende een korte tijd heel actief. Evenals in vele andere munthuizen in de Republiek werden op grote schaal minderwaardige muntsoorten, zoals florijnen, ruiterschellingen en stuivers aangemunt. De generaliteitsordonnantie van 1694 heeft aan de chaos een eind gemaakt ondermeer door het muntrecht van steden als Groningen af te kopen.

Tenslotte zijn in de stad Groningen tweemaal noodmunten (of daarop gelijkende stukken) geslagen (noodgeld): in 1577 zilveren vierkante koningsdaalders (ook halve) ter betaling van het met muiterij dreigende garnizoen en in 1672 zilverstukken van 50 stuiver en onderdelen, eveneens vierkant, naar aanleiding van het beleg van de bisschop van Munster.

Waarschijnlijk zijn deze laatste stukken eerder als provinciale gedenkpenningen dan als stedelijke munten te beschouwen, ook al omdat zij het provincie- in plaats van stadswapen voeren en het stedelijke munthuis gesloten was.

Op veel van de Groningse stedelijke munten komt het stadswapen voor: de keizerlijke adelaar, eerst een enkelkoppige, later een dubbelkoppige met een wit schild, waarop een groene dwarsbalk, aanvankelijk aan de poten, vervolgens op de borst van de adelaar. Op de langrok en een enkele goudgulden staat Sint Maarten, de patroon van de kerk van Groningen afgebeeld.

Zie voor de overige muntplaatsen in de Nederlanden de lijst muntplaatsen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn er te Groningen noodbiljetten (noodgeld) uitgegeven door het gemeentebestuur (augustus 1914) en NV W. A. Scholtens Aardappelmeelfabrieken (augustus 1914).

Zie voor de overige plaatsen in de Nederlanden waar papiergeld is uitgegeven de lijst papiergeldplaatsen.

J.S.

Lit.: Gelder, H. Enno van, Laatmiddeleeuwse munten van Groningen, JMP (1982) 21 -46; idem, Het Groninger muntwezen 1560-1649 JMP(1955) 95-98; Puister, A. T. Groningse stedelijke munten JMP (1986) 5-72.



  • Groningen flabbe.jpg
  • Groningen florijn GO.jpg
  • Groningen rijderschelling 1690.jpg
  • Groningen stad brabantse stuiver 1613.jpg
  • Nederlanden, Stad Groningen, daalder, 1561, zilver.
  • Nederlanden, Stad Groningen, dubbele penning, ca. 1500, zilver.
  • Groningen stad flabbe.jpg
  • Groningen stad gulden.jpg
  • Groningen stad jager.jpg
  • Groningen stad langrok1593.jpg
  • Groningen stad magermanneke.jpg
  • Nederland, Stad Groningen, noodbon van 2,50 gulden, augustus 1914, zwarte inkt op wit papier 14,6 x 10,9 cm. Nederland, NV. W. A. Scholten te Groningen, noodbiljet van 1 gulden, aug 1914, zwarte inkt op geel karton, 9,5 x 8,2 cm.
  • Groningen stad ruiterschelling 1691.jpg
  • Nederlanden, Stad Groningen, vlieger of stuiver, 1560, zilver.
  • Groningen stad vlieger 1473.jpg
  • Nederlanden, Stad Groningen, Tourse groot, zilver.