Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, kleingeld

Versie door MyWikiAdminEnc (Overleg | bijdragen) op 15 jan 2017 om 22:58 (1 versie geïmporteerd)

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

geschiedenis geld, kleingeld

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, Belgische onafhankelijkheid en geschiedenis geld, geldsanering in Nederland)

Luxemburg bleef na de Belgische afsplitsing in personele unie verbonden met Nederland.

In 1848 werd de gulden als wettelijke rekeneenheid vervangen door de frank. Voor de circulatie maakte dit niet veel uit, omdat er overheersend van Duitse munten gebruik gemaakt werd. In 1854 werd geprobeerd de kleingeldcirculatie te verbeteren door voor Luxemburg eigen koperen munten te slaan van 10, 5 en 2 ½ centiem. Tot 1870 heeft men nog een paar maal een partij kleingeld geslagen, maar de invoering werd geen succes, omdat de goede, zware stukken uit de omloop verdwenen.

Overigens sloot de gebruikte reeks muntwaarden beter aan bij de Nederlandse muntreeks dan bij de reeks 1, 2, 5 en 10 zoals die door de buurlanden België, Frankrijk en Duitsland gehanteerd werden. Pas in 1901 werd er opnieuw voor Luxemburg kleingeld geslagen. De eerste oplage van 1854 werd in Brussel geslagen waar men ten onrechte van de Nederlandse munt- en muntmeesterstekens gebruik heeft gemaakt.

Met de introductie van koper-nikkel kleingeld in 1861 was België een van de eerste landen die overging op een moderne, duurzame en goedkope legering waarvan het uiterlijk enigszins op zilver leek. Het eerste gebruik van nikkellegeringen vond plaats in Zwitserland, waar men in 1850 voor de kleine muntwaarden overging op argentaan, een legering van koper, nikkel en zink, waar men ook nog iets zilver aan toegevoegd had om de munten een intrinsieke waarde te geven. Kopernikkel zonder zilver werd voor het eerst toegepast in de Verenigde Staten voor de centen met het jaartal 1856.

De definitieve zuivering van het circulerende kleingeld in België werd ingeleid met de wet van 1895 betreffende het verbod van betaling in vreemde pasmunt. In 1901 kwam men met een geheel nieuwe reeks "gaatjesmunten", waarvan het meest opvallende kenmerk de centrale doorboring is. Hoewel de gaatjes bedoeld waren als onderscheidingsteken ten opzichte van zilveren munten, is het idee overgenomen van de gaatjesmunten van de Belgische Congo waar men de munten wel van een gat voorzag om ze aan elkaar te rijgen en waarvoor sinds 1887 het kleingeld ook al in het munthuis van een gat werd voorzien. Deze nieuwigheid voor West-Europa werd onder andere door Frankrijk en Denemarken overgenomen.

Aan de reeks kleingeld werd in 1908 een nieuwe denominatie van 25 centiem toegevoegd. De laatste gaatjesmunten werden in België geslagen in 1963 met het jaartal 1946.

In Nederland besloot men, nadat de extra werkzaamheden ten behoeve van het invoeren van de gouden standaard voorbij waren, aandacht te besteden aan de verbetering van het kleingeld. De volwaardige zilveren kwartjes, dubbeltjes en stuivers (25, 10 en 5 cent) van 1816 waren bij de invoering van de zilveren standaard in 1847 weliswaar vervangen door muntjes die minder zilver bevatten, maar dit zilveren kleingeld had nog veel meer intrinsieke waarde dan het kleingeld uit de omringende landen. Hierdoor werden ze vooral in de grensgebieden steeds meer verdrongen door Belgische "centen" (= 2 centiemstukken) en allerlei Duits kleingeld. Bij de wet van 1877 werd het oude kopergeld buiten omloop gesteld en vervangen door lichtere bronzen munten. Tevens werd een waarde van 2 ½ cent in de reeks opgenomen.

De circulatie van vreemd kopergeld in de grensstreken werd zoveel mogelijk door allerlei voorschriften aan banden gelegd.

Ook besloot men de productie van de stuiver te verminderen. Dit was het kleinste zilveren muntje in de omloop met een gewicht van nog geen 0,7 gram en een diameter van 12,5 mm. De laatste exemplaren werden geslagen in 1887.

Pas in 1907 werd de zilveren stuiver opgevolgd door een ronde stuiver van kopernikkel die op zijn beurt in 1913 vervangen werd door een vierkante stuiver van dezelfde legering.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, Eerste Wereldoorlog en economische crisis.