Ga naar: navigatie, zoeken

Sceatta

sceatta, spreek uit "sjatta", benaming voor een klein, dik zilverstuk met opvallend geprononceerd reliëf en sterk gestileerde beeldenaars. Bij uitzondering hebben sceatta's leesbare opschriften in Latijnse letters; één groep draagt runentekens.

Toen omstreeks 550 de grote volksverhuizingen achter de rug waren en een periode van consolidatie intrad, ontstond zowel op het Europese vasteland als in Engeland een toenemende vraag naar munten. Aanvankelijk werden op het continent de gouden tremissis (= 1/3 solidus) en in de Angelsaksische gebieden in Engeland de gouden thrymsa van overeenkomstig gewicht gebruikt. Het goudgehalte liep in de 7e eeuw echter sterk terug, zodat tegen het einde van die eeuw tremissis en thrymsa bijna geheel uit zilver bestonden en nog slechts weinig goud bevatten. Toen kwam er vrij abrupt een einde aan de fabricage van gouden munten.

Op het continent verscheen de Merovingische zilveren denarius (penning)van ca. 1,2 g, die door vroegere numismaten wel saiga werd genoemd; in Engeland verscheen omstreeks 680 de Angelsaksische zilveren munt van overeenkomstig gewicht, die met sceatta wordt aangeduid. Door de nauwe handelsbetrekkingen tussen Engeland en de Friese gebieden op het West-Europese continent, kwamen de Friezen in aanraking met sceatta's, met als gevolg dat men omstreeks 700 ook in het tegenoverliggende vasteland op de productie van sceatta's overging.

Zowel in Engeland als op het vasteland ertegenover liep in de loop van de 8e eeuw het zilvergehalte van de sceatta zienderogen terug; sinds ongeveer 750 gingen in Engeland de grotere zilveren penningen van Kent en Mercia de geldcirculatie overheersen en kwam, naar wordt aangenomen, aan de aanmuntingen van sceatta's een einde. Alleen in het koninkrijk Northumbria is de productie van voornamelijk uit koper bestaande sceatta's nog enige tijd voortgezet; deze muntjes worden styca's genoemd.

De Nederlanden werden al sinds ca. 730 door Frankische legerscharen aangevallen en omstreeks 790 wordt het gebied definitief bij het Karolingische rijk ingelijfd. Sindsdien is daar het Karolingische geldstelsel ingevoerd (Karolingische muntslag. Aangenomen wordt dat in Friesland in de periode 770-790 een einde aan de fabricage van sceatta's is gekomen.

Voor de voorstellingen op hun munten hebben de Angelsaksen teruggegrepen naar die van het Romeinse geld, dat midden 7e eeuw in Engeland nog voorhanden was, zij het dat de afbeeldingen sterk vereenvoudigd waren. Voorts werd het werk van de Angelsaksische monetariërs sterk beïnvloed door de Merovingische denarii, die ook in Engeland hebben gecirculeerd.

In Friesland werden aanvankelijk de Engelse typen min of meer slaafs gekopieerd, maar geleidelijk ontwikkelden de Friezen eigen stijlkenmerken. Het grovere werk van de Friese stempelsnijders onderscheidt zich van het zorgvuldiger uitgevoerde werk van hun Engelse collega's. De continentale sceatta's worden wel als volgt ingedeeld:

a. continentale runentype: aan de hand van de vindplaatsen moet het continentale runentype in het beneden-Rijngebied zijn geproduceerd;

b. stekelvarken/standaardtype: als mogelijke gebieden van aanmunting komen zeker Engeland en Friesland, maar mogelijk ook Noord-Duitsland en Frankrijk in aanmerking;

c. Herstaltype: aanmunting van dit type heeft vermoedelijk ergens in België plaatsgevonden;

d. Maastricht type: qua type en stijl is het Maastricht type terug te voeren tot aan Auxerre toegeschreven Merovingische munten. De traditionele toeschrijving aan Maastricht als muntplaats is ongegrond. Mogelijk is dit type ergens in België of Noord-Frankrijk geslagen;

e. Wodan/monster-type: werd tot voor kort algemeen als van Friese herkomst beschouwd; thans wordt ook gepleit voor een toeschrijving aan een Deense muntplaats. Alle vijf de typen kennen zeer vele varianten en lopen soms in elkaar over.

W.

Lit.:

Grierson, Ph., en M. Blackburn, Medieval European Coinage, Vol. I., Londen 1986;

Metcalf, D.M., Thrymsas and sceattas in the Ashmolean Museum, Londen 1993;

Metcalf, D.M., en W Op den Velde, The Monetary Economy of the Netherlands, c. 690-c. 715 and the Trade with England: A Study of the Sceattas of series D, JMP 2003;

idem, The Monetary Economy of the Netherlands, c. 690-c. 760 and the Trade with England: A Study of the 'Porcupine‚‘ Sceattas of series E, Vol I, JMP 2009 en Vol II, JMP 2010;

Op den Velde, W., De in Nederland voorkomende sceatta's, De Beeldenaar (1982) 40-52 (met een zeer uitgebreid literatuuroverzicht) en (1982) 83-96;

idem, Sceatta's in Friese schatvondsten, De Beeldenaar (1987) 61-66.



  • Sceatta continentaal runentype.jpg
  • Sceatta friesland.jpg
  • Sceatta herstaltype.jpg
  • Sceatta maastricht type.jpg
  • Sceatta stekelvarken.jpg
  • Sceatta wodan monster type.jpg