Ga naar: navigatie, zoeken

Karolingische muntslag

Karolingische muntslag, de aanmunting van de Karolingers, het geslacht van Frankische grootgrondbezitters en hofmeiers dat de Merovingers opvolgde als koning van de Franken. De eerste Karolingische muntheer was Pippijn III de Korte (751-768). Deze greep in 751 de macht en werd in 754 door paus Stephanus II tot koning gekroond.

Reeds in 755 begon hij een volledige reorganisatie van het Frankische muntwezen. Hij herstelde het muntrecht als koninklijk prerogatief, reduceerde het aantal muntplaatsen en handhaafde het al onder de laatste Merovingers ingevoerde zilver- monometallisme; Merovingische munten. De door Pippijn geslagen denarii (denarius) onderscheiden zich duidelijk van hun voorgangers: ze zijn groter, dunner en zwaarder (264 in een Karolingisch pond, d.w.z. 1,24 g) en vooral dragen ze steeds de naam en/of de titel van de vorst: PIPI (Pipinus) of R.P. (rex Pipinus) of R.F. (rex Francorum), benevens een aanduiding van de muntplaats.

De te Dorestad geslagen munten hebben op vz een francisca (Frankische werpbijl) die wellicht als muntteken mag worden opgevat. Pippijn werd opgevolgd door zijn zoon Karel de Grote (768-814).

Deze zette de muntslag van zijn vader voort met een iets zwaardere (ca. 1,3 g) en uniformer uitvoering (op vz steeds in twee regels CAR(O)LVS, doch met variabele kz). Nadat hij in 774 het rijk van de Langobarden met zijn Frankische rijk in personele unie had verenigd, handhaafde hij daar aanvankelijk het Langobardische muntsysteem, doch met de capitulare van Mantua uit 781 werd ook in Longobardia de Karolingische denarius ingevoerd.

Omstreeks 793 werd wederom een belangrijke hervorming ingevoerd, waarvan overigens de redenen nog zeer omstreden zijn. De oude (lichte) penningen werden ingetrokken ten gunste van de denarius novus (nieuwe penning) die ongeacht de plaats van vervaardiging wettig betaalmiddel was in het gehele rijk.

Deze nieuwe penning is gebaseerd op het Karolingische pond van 20 solidi en 240 denarii, een verdeling die eeuwen lang van kracht bleef en in Groot-Brittannië pas in 1971 werd afgeschaft. Hij woog ca. 1,75 g en bezat overal een uniforme beeldenaar voor vz en kz.

Dit nieuwe type bevatte op vz een kruis (symbool van de goddelijke oorsprong van de koninklijke macht) en de naam en titel: CARLVS REX FRANCORVM; op kz het Karolus- monogram (symbool van de wereldlijke macht) en de naam van de muntplaats, b.v. DORESTADO (in Dorestad). Op sommige munten treft men EX METALLO NOVO (= uit nieuw zilver) of METALLVMGERMAN(VM) (= echt zilver) aan.

In 805 verscherpte Karel de centralisatie van de muntproductie: muntslag was alleen toegestaan "ad curtem" (= aan het hof)- In 808 volgde nogmaals zo'n gebod: aanmunting diende te geschieden "in palatio nostro" (in onze residentie). Beide maatregelen hadden weinig resultaat, wel droegen munten tengevolge van deze maatregel soms het opschrift PALATINA MONETA (muntatelier in het paleis, paltsatelier).

Op Kerstmis 800 werd Karel door paus Leo III in de St.-Pieter van Rome tot imperator (keizer) gekroond.

Nadat keizer Michael I van Byzantium hem in 812 in zijn keizerlijke waardigheid had erkend, voerde Karel een nieuw type munt in. Op vz in navolging van laat-Romeinse keizersmunten een gelauwerd borstbeeld naar rechts met naam en titel: (DOMINVS NOSTER) KAROLVS IMPERATOR AVGVSTVS. Voor de keerzijde werden enkele varianten gebruikt: a. (algemeen type) doopkapel en omschrift XPISTIANA RELIGIO (het christelijk geloof, basis voor het regeerprogramma van Karel de Grote en zijn opvolgers); b. (type voor havensteden als Dorestad en Quentovic) scheepje en plaatsnaam; c. (type voor belangrijke vestingsteden zoals Trier) stadspoort en plaatsnaam; d. (type voor plaatsen bij belangrijke zilvermijnen zoals Melle in Poitou) muntwerktuigen.

Sinds 808 verbleef Karel in zijn paleis (palts) te Aken waar hij in januari 814 overleed. Hij werd opgevolgd door zijn enige overgebleven zoon Lodewijk de Vrome (814-840), sinds 781 koning van Aquitanië. Reeds in 813 was hij door zijn vader te Aken tot keizer gekroond en in 816 volgde de kroning door paus Stephanus IV te Reims. In 817 benoemde Lodewijk met de Ordinatio Imperii zijn zoon Lotharius als medekeizer en opvolger en twee andere zoons tot koning van deelrijken.

Lodewijks eerste emissie was een voortzetting van Karels type met het keizersportret, echter met Lodewijksnaam: HLVDOVVICVS. Bij de munthervorming van 819 werd dit type ingetrokken ten behoeve van een nieuwe emissie. Het uiterlijk van de nieuwe munten was beter van kwaliteit als gevolg van muntstempels waarin de letters niet alleen met een burijn waren gegraveerd, doch ook met stempeltjes (ponsoenen) waren ingeslagen. Op vz een kruis met naam en keizerstitel, op kz de naam van de muntplaats over één of meer regels.

Aan de aanmaak van dit type, ruimer verbreid dan het eerste, kwam omstreeks 825 een einde. Het werd vervangen door een derde dat zich van de voorgaande vooral onderscheidt doordat de muntplaats hierop in het geheel niet meer wordt vermeld. Deze bijzonder omvangrijke derde emissie werd voortgezet tot het einde van Lodewijks regering en moet in talrijke ateliers, verspreid over het gehele rijk, zijn geslagen. Toewijzing van de talrijke varianten aan bepaalde munthuizen is, ondanks veel onderzoek, nog maar gedeeltelijk gelukt. Alle munten vertonen op de vz een kruis met naam en keizerstitel, op kz een doopkapel met het omschrift XPISTIANA RELIGIO. De enkele munten van Lodewijk met kapel in combinatie met een plaatsnaam zijn mogelijk latere imitaties.

Van Lodewijk bestaan ook zeldzame gouden solidi. Op vz het gelauwerde keizersportret naar rechts met D N HLVDOVVICVS IMP AVG, op kz een lauwerkrans met MVNVS DIVINVM (goddelijk geschenk); gewicht 4,5 g en diameter 19 mm. Deze munten werden waarschijnlijk geslagen voor ceremoniële doeleinden, wellicht de kroning te Reims in 816. Er bestaan van dit type ook - minder zeldzame - nabootsingen; Friese imitaties.

In juni 840 overleed Lodewijk en hij werd opgevolgd door zijn zoon Lotharius.

Bij verdrag van Verdun moest deze echter in 843 het rijk delen met zijn broers: Lotharius kreeg Midden-Francië (Opper- en Neder-Lotharingen, Bourgondië en Noord-Italië) en de keizerstitel, Lodewijk de Duitser kreeg Oost-Francië (Duitsland) en Karel de Kale kreeg West-Francië (Frankrijk).

Lotharius I (840-855) heeft in hoofdzaak twee typen aangemunt. Het ene komt overeen met de tweede emissie van Lodewijk de Vrome: op vz een kruis met (veelal verbasterd) HLOTHARIVS IMP, op kz de naam van de muntplaats. Het andere volgt Lodewijks laatste emissie: op vz een kruis met naam en keizerstitel, op kz een doopkapel met MONETA gevolgd door een plaatsnaam of met de tekst XPISTIANA RELIGIO. Dit laatste type is vooral in Dorestad massaal geslagen en mogelijk ook nog enige tijd na zijn dood voortgezet. Er zijn van hem bovendien zeer zeldzame munten met een gelauwerd borstbeeld.

Midden-Francië werd in 855 verdeeld onder de zonen van Lotharius. De tweede zoon Lotharius II (855-869) ontving het noordelijke deel dat naar hem Regnum Lotharii of Lotharingen werd genoemd. Van hem kunnen echter geen munten uit de Lage Landen worden aangewezen. Toen hij in 869 kinderloos overleed, werd Lotharingen in 870 bij verdrag van Meerssen verdeeld tussen zijn ooms Lodewijk de Duitser en Karel de Kale.

Lodewijk de Duitser, koning van Oost-Francië (843-876), heeft weinig gemunt. Mogelijk moeten hem enkele Lotharingse munten worden toegeschreven met de naam LVDOVVICVS REX gecombineerd met een Karel-monogram. Na zijn dood werd zijn rijk verdeeld onder zijn zonen Karloman van Beieren, Lodewijk III van Saksen, die het Lotharingse gebied kreeg, en Karel de Dikke van Zwaben. Lodewijk de Vrome was in West- Francië waartoe steeds het westen van het huidige België behoorde, opgevolgd door zijn jongste zoon Karel de Kale (840-877) die in 870 West-Lotharingen verwierf en in 875 keizer werd. Diens eerste emissie zette de muntslag van Lodewijk voort: op vz een kruis met CAROLVS REX PIVS (= vroom) FRANCORVM; op kz een kapel, poort of monogram met de naam van de muntplaats.

Met het edict van Pîtres werden deze munten in 864 ingewisseld tegen een nieuwe emissie die het monogram-type van Karel de Grote herstelde. Tevens werd toen het predicaat Gratia Dei (bij de gratie Gods) aan de titel op de munten toegevoegd. Op vz het Karolus-monogram met GRACIA DEI REX; op kz een kruis en de plaatsnaam, soms in combinatie met een aanduiding als CASTELLVM (kasteel), CASTRA (burcht), CIVITAS (stad), MONETA (muntplaats), PORTVS (aanlegplaats, haven), VICVS (wijk, nederzetting) en VRBS (hoofdstad).

Karel overleed in oktober 877 en werd opgevolgd door zijn zoon Lodewijk II de Stamelaar (877-879). Diens regering werd ondermijnd door de Westfrankische aristocratie en door invallen van de Noormannen. Hij zette de muntslag van zijn vader op eigen naam voort. Zijn zoon en opvolger Lodewijk III droeg in 880 bij verdrag van Ribémont West-Lotharingen over aan Lodewijk III van Saksen (zoon van Lodewijk de Duitser) die in 882 werd opgevolgd door zijn broer Karel de Dikke van Zwaben. Deze, sinds 884 keizer Karel III, werd in 885 bovendien gekozen tot koning van West-Francië waar de rechtmatige troonopvolger Karel III de Eenvoudige (postume zoon van Lodewijk de Stamelaar) nog minderjarig was. Het gehele Frankische rijk was daardoor weer in één hand. Van Karel de Dikke zijn twee munttypen bekend. Het eerste is een voortzetting van het gangbare monogram- type: op vz monogram met keizerstitel IMP AVG, op kz een kruis met plaatsnaam. Een tweede type heeft op vz een kruis met CAR(O)LVS IMP en op kz een monogram of een kruis met XRISTIANA RELIGIO.

In 887 werd Karel de Dikke afgezet door de bastaard van zijn broer Karloman, Arnulf van Karintië. Deze, sinds 896 de laatste Karolingische keizer, stond in 895 het koninkrijk Lotharingen af aan zijn bastaardzoon Zwentibold (895-900). Eén van zijn munttypen heeft op vz een kruis met SVINDBALDVS REX, op kz een kruis met plaatsnaam: CAMARACVS CIVITAS (de stad Kamerijk). Zwentibold liet het koninkrijk Lotharingen na aan zijn halfbroer Lodewijk het Kind (899-911). Diens munten hebben op vz een kruis met HLVDOVVICVS REX, op kz een kruis met IN VICO NAMVCO of DEONANT (in de nederzetting Namen of Dinant).

Lodewijk was de laatste Karolinger op de Duitse troon. Na de afzetting van Karel de Dikke kozen de groten in West-Francië een niet-Karolinger tot opvolger, graaf Odo van Parijs. Later slaagde de in 885 gepasseerde Karel de Eenvoudige (898-923) erin de troon te heroveren. Van hem zijn o.a. munten uit Brugge van het monogram- type bekend. Zijn achterkleinzoon Lodewijk V de Luie (986-987) was de laatste Karolinger in Frankrijk.

G.

Lit.: Morrison, K. F., en H. Grunthal, Carolingian coinage, New York 1967; Grierson, Ph., en M. Blackburn, Early Medieval Coinage, 1. The early Middle Ages (5th to 10th centuries), Cambridge 1986 (speciaal 190-249); Frère, H., Le denier carolingien spécialement en Belgique, Louvain-La- Neuve 1977 (aanvulling in RBN 1980, 109-127); Gelder, H. Enno van, De Karolingische muntslag te Duurstede, JMP 48 (1961) 15-41; idem, De Karolingische muntvondst Roermond (1968), JMP 72 (1985) 13-49; Coupland, S., Dorestad in the ninth century: the numismatic evidence, JMP 75 (1988) 5-26; Grierson, Th., The Gold solidus of Louis the Pious and its imitations, JMP 38 (1951) 1-41.



  • Karolingiscge rijk dorestad.jpg
  • Karolingische munstslag Lod Vrome dorestad.jpg
  • Karolingische muntslag brugge.jpg
  • Karolingische muntslag dorestad penning voor 793.jpg
  • Karolingische muntslag Lodewijk de vrome penning.jpg
  • Karolingische muntslag milaan Italie.jpg
  • Karolingische muntslag muntplaatsen.jpg
  • Karolingische muntslag pippijn de korte penning.jpg
  • Karolingische rijk dorestad penning na 793.jpg
  • Karoliningsche rijk dorestad 042.jpg