Ga naar: navigatie, zoeken

Permissieschelling

permissieschelling, in de Republiek gangbare naam voor de Zuid-Nederlandse schellingen, geslagen 1612-1713, aanvankelijk de pauwschelling, sinds 1621 de schelling met de klimmende leeuw met zwaard en schild; het laatste type is geïmiteerd door o.a. Bentheim, Emden, Keulen, Luik en Reckheim (Rekem).

Het is onduidelijk hoe de naam permissieschelling is ontstaan; hij kan niet uit enige officiële permissie van de Republiek worden verklaard. De naam moet al gangbaar zijn geweest, toen zij voor het eerst officieel werd gebruikt, nl. in het plakkaat van de Staten-Generaal van 22 oktober 1698, waarin o.a. werden verboden "de Brabandtsche en alle andere soorten van soogenaemde Permissieschellingen", in soortgelijke bewoordingen herhaald in 1714. In 1730 werden ze toegelaten in de Generaliteitslanden.

Op 21 februari 1752 werden ze onder de naam "oude permissieschellingen" gereduceerd op 5½ stuiver en in de gehele Republiek toegelaten om vervolgens op 8 maart 1752 geheel verboden te worden. In Zuid-Nederlandse muntplakkaten komt de naam niet voor; daar heten ze meestal "schellingen met onze wapenen" of iets dergelijks. Zowel uit de bewoordingen van het plakkaat van 9 februari 1730 als uit het nauwelijks voorkomen in muntvondsten in de Noordelijke Nederlanden wordt de indruk gevestigd, dat permissieschellingen toen alleen een rol speelden in het betalingsverkeer in de Generaliteitslanden, in tegenstelling tot de Oostenrijkse Nederlanden, waar ze in verscheidene vondsten zijn aangetroffen en waar ze bij de grote munthervorming van 1749-1755 als een probleem voor de circulatie werden beschouwd.

W.