Ga naar: navigatie, zoeken

Schelling

schelling,

1. in de Middeleeuwen gebruikelijke aanduiding voor een hoeveelheid van 12 penningen of 1/20 pond. Zilveren munten van 1 schelling à 12 penningen werden voor het eerst in de 13e eeuw geslagen, meestal groot genoemd. De meest voorkomende schellingen in de Nederlanden zijn: schelling Artesisch (Artesisch pond) van 12 penningen = 1 stuiver en schelling Vlaams (Vlaams pond) van 12 groten = 6 stuivers.

2. in de Republiek sinds het laatste kwart van de 16e eeuw gebruikelijke benaming voor diverse zilveren munten ter waarde van 6 stuiver (= 12 groot), het eerst ingevoerd in 1581 door Gelderland en voor het laatst geslagen in 1794. De schelling bevatte aanvankelijk (in 1581) een gehalte aan fijn zilver van 3,325 g, dat weldra minder werd en dat in de 17e-18e eeuw varieerde tussen ca. 2,75 en ca. 2,90 g.

Naar de voorstelling in de beeldenaar onderscheidt men arend(s)schelling of, hoedjesschelling, leeuwenschelling (bankpayement), roosschelling, ruiterschelling of scheepjesschelling en snaphaanschelling (de halven werden naar het helmteken halve gehelmde schellingen genoemd) en naar de uitgever wel staten- of placaetschellingen.

In 1693 werden de minderwaardige schellingen, geslagen na ca. 1685 afgezet op 5½ stuiver; om de bevolking te ontheffen van de taak iedere schelling op jaartal te controleren, lieten Deventer in 1693 en de Staten-Generaal in 1694 de volwaardige ruiter- en hoedjesschellingen van een klop voorzien (klop A 5 en klop A 20).

Tijdens de geldsanering van 1845-1849 werden geklopte en ongeklopte schellingen (beide sinds 1823 voor 25 cent in omloop) ingetrokken, maar nog tot in de 20e eeuw bleef de schelling als rekenmunt voor 6 stuivers in gebruik.

3. in de Zuidelijke Nederlanden gebruikelijke benaming voor een zilveren munt (Fr. escalin) ter waarde van 6 stuivers of sols, voor het eerst geslagen in 1612 door de aartshertogen Albert en Isabella, voor het laatst in 1792 door het prinsbisdom Luik. Anders dan in de Noordelijke Nederlanden bleven gewicht en gehalte constant, op 5,26 g en 0,582. Naar de voorstelling in de beeldenaar onderscheidde men de pauwschelling en leeuwenschelling (permissieschelling).

W.

Lit.:

Gelder, H.E. van, Munthervorming tijdens de Republiek 1659-1694, Amsterdam 1949;

Wis, J.C. van der, Een uiterst zeldzame statenschelling van Zwolle, De Beeldenaar (1977), nr. 4, blz. 18-19.



  • Schelling gent.jpg
  • Schelling halve blamuser 1620.jpg
  • Schelling luik sede vacante 1784.jpg
  • Schelling machinale muntslag 050 west friesland.jpg