Ga naar: navigatie, zoeken

Rekem

Rekem, of ouderwets zoals in de numismatische literatuur wordt gebruikt: Reckheim, heerlijkheid, sinds 1442 vrije baronie en graafschap in 1620, thans gem. Lanaken in de Belgische provincie Limburg. Men neemt aan, dat de muntslag in Rekem begon onder Arnold III van Stein. De Rekemse Munt is het meest actief geweest in de perioden 1400-1475 en ca. 1550-ca. 1700.

Kenmerkend voor de muntslag is, dat de Rekemse muntheren vrijwel altijd populaire muntsoorten uit de omliggende landen hebben geïmiteerd, waarbij vele emissies regelrechte vervalsingen mogen worden genoemd. Eventuele jaartallen op de munten zijn meestal of van de voorbeelden overgenomen of fictief.

Aan Arnold III zijn o.a. imitaties toegeschreven van groten (type brijman) en 2/3 groten van de Brabants-Limburgse hertogen Johanna en Wenzel (1355-1383) en van plakken, dubbele mijten en enkele mijten van de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers (ca. 1304-1346). Aan Lodewijk van Stein-Diepenbeek wordt een aantal mijten naar Vlaams voorbeeld toegeschreven en aan zijn zoon Hendrik 1/3 plakken (=2/3 groten), die geïnspireerd zijn op gelijksoortige munten van Jan III van Megen (1359-1414).

Van keizer Karel IV (1346-1378, keizer vanaf 1355) ontving Hendrik in 1356 het recht tot muntslag. Aangezien Hendrik kinderloos bleef, erfde zijn neef Willem I van Sombreffe (1397-1400) de heerlijkheid. Mogelijk heeft hij mijten laten slaan. Tijdens de lange regering van zijn zoon Willem II was de Rekemse muntslag zeer overvloedig; hij liet voor het eerst goudstukken slaan, nl. het kleine gouden lam, zoals de Brabantse hertog Jan IV (1415-1427) dat ook sloeg. Voorts liet hij enige typen grote zilveren munten slaan, zoals brijmannen naar Brabants, botdragers, enkele en halve kromstaarten naar Vlaams en halve griffioenen naar Luiks voorbeeld, alsmede een grote verscheidenheid aan kleingeld, waarbij munten van Brabant, Frankrijk, Lotharingen, [[Luik, Namen en Vlaanderen tot voorbeeld strekten.

Aan Willem III worden munten van de typen double tournois, denier tournois en angevines toegeschreven, die imitaties zijn van munttypen van de Franse koning Karel VII (1422-1461). Analoog aan de situatie in de periode 1500-1540, waarin nergens in de Nederlanden veel hagemunterij was, heeft ook in Rekem de muntslag tot het midden van de 16e eeuw stil gelegen. Het is niet geheel uitgesloten, dat ook opvolgingskwesties daarbij een rol hebben gespeeld.

Willem van Vlodrop liet weer munten slaan: goudguldens met Sint Pieter en een dubbele adelaar en de Hongaarse dukaat met Sint George en Maria met kind in de beeldenaars, zilveren enkele en halve rijksdaalders met de naam van Karel V, rijksdaalders, daalders (= 30 stuiver) en halve daalders met de naam van Ferdinand I en koperen oorden met een kasteel en een leeuw op de vz, die hetzij imitaties van oorden van Gronsveld zijn, hetzij zijn geïnspireerd op Spaanse koperstukken.

Na Willem van Vlodrop kwam zijn zwager Jan Quadt van Wijkradt in het bezit van de baronie. Van Jan zijn slechts Hongaarse dukaten bekend met Sint Pieter en Maria met kind. Zijn zoon Willem, die zijn vader na diens dood in 1569 opvolgde onder voogdij van zijn moeder, sloeg Hongaarse dukaten met Sint Victor in de beeldenaar. In 1590 ruilde Willem Quadt van Wijkradt Rekem met Herman van Lynden voor diens Duitse bezittingen. Herman liet goudguldens en enkele en kwart zilveren rijksdaalders munten met de naam van Rudolf II.

Ernst volgde in 1603 zijn vader op. Zijn muntslag was zeer overvloedig: rijksdaalders met de naam van Matthias I, enkele, kwart en zesde rijksdaalders en koperen 3-kreuzermunten met de naam van Ferdinand II en hij imiteerde o.a. vierstuiverstukken van Oldenburg, Zuid-Nederlandse leeuwenschellingen, West-Friese roosschellingen, peerdekens, dubbele stuivers van Metz, Kleefse stuivers en koperen oorden en duiten uit de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Ernsts zoon Ferdinand liet gouden dukaten en imitaties van leeuwenschellingen en Noord- en ZuidNederlandse stuivers, oorden en duiten aanmunten.

Frans Gobert en Ferdinand Gobert lieten, mogelijk in navolging van Gronsveld, Duitse 2/3 talers van 24 mariengroschen slaan en imiteerden vooral duiten van de stad Utrecht. De laatste Rekemse muntheer is Joseph-Gobert geweest, die naar Duits voorbeeld tweekreuzerstukken met het jaartal 1720 liet slaan.

Het wapen van Rekem bestaat uit een klimmende leeuw van goud op een veld van keel (rood). Op Rekemse munten staat het meestal tezamen met de wapens van de andere bezittingen van de muntheer.

Zie voor de overige muntplaatsen in de Nederlanden de lijst muntplaatsen.


W.


Muntheren

Arnold III van Stein 1335-?

Lodewijk van Stein-Diepenbeek ?-1350

Hendrik van Stein-Diepenbeek 1350-1397

Willem I van Sombreffe 1397-1400

Willem II van Sombreffe 1400-1475

Willem III van Sombreffe 1475 1484

Jan van Piermont 1504-1514?

Willem van Vlodrop 1553?-1565

Jan Quadt van Wyckradt 1565-1569

Willem Quadt van Wyckradt 1569-1590

Herman van Aspremont-Lynden 1590-1603

Ernst van Aspremont-Lynden 1603-1636

Ferdinand van Aspremont-Lynden 1636-1655

Frans Gobert en Ferdinand Gobert van Aspremont-Lynden 1665-1703

Josef-Gobert Van Aspremont-Lynden 1708-1720

Lit.:

Lucas, P., Monnaies Seigneuriales Mosanes, Walcourt 1982;

De Mey, J., Les monnaies de Reckheim, Brussel/Amsterdam 1968.



  • Rekem duit.jpg
  • Rekem herman van aspremont lynden daalder rekem.jpg
  • Rekem willem van vlodrop dukaat goud.jpg