Ga naar: navigatie, zoeken

Shilling

shilling, (Ned. schelling)

1. in Groot-Brittannië gebruikelijke benaming voor de uit het Karolingische muntstelsel voortgekomen en tot de decimalisering van het Engelse muntstelsel in 1971 gehandhaafde rekeneenheid van 12 penningen: 1 shilling = 12 pence, 20 shillings = 1 Engels pond.

In navolging van diverse landen op het Europese vasteland werden in 1504 onder Hendrik VII (1485-1509) voor het eerst zilveren testoons (teston) geslagen, die een waarde hadden van 12 pennies of 1 shilling. Onder Edward VI (1547-1553) wordt shilling de officiële benaming voor deze munten. Aanvankelijk was het gewicht 9,33 g en het gehalte 0,930, maar weldra minder.

Onder Elizabeth I (1558-1603) wordt in 1561 het gewicht van de shilling bepaald op 6,22 g en het gehalte op 0,925, in 1601 wordt het gewicht opnieuw verlaagd tot 6,02 g, in 1816 nog eens tot 5,655 g. In 1920 wordt het gehalte teruggebracht tot 0,500 en sinds 1949 is de shilling van koper-nikkel. Op de vz stond steeds de (gekroonde) kop van de koning(in). Onder Elizabeth I (1558-1603) wordt in 1561 het gewicht van de shilling bepaald op 6,22 g en het gehalte op 0,925, in 1601 wordt het gewicht opnieuw verlaagd tot 6,02 g, in 1816 nog eens tot 5,655 g. In 1920 wordt het gehalte teruggebracht tot 0,500 en sinds 1949 is de shilling van koper-nikkel, voor de kz verschillende beeldenaars zijn gebruikt. Bij de overgang naar het decimale stelsel in 1971 werd de shilling gelijkgesteld aan 5 newpence.

Ook in de meeste Engelse overzeese gebiedsdelen is de shilling nog tot ver in de 20e eeuw gebruikt, maar ook daar is deze muntsoort inmiddels bijna overal verdwenen.

W.

2. sinds het verkrijgen van de onafhankelijkheid in 1964 uit shilling 1, voortgekomen munteenheid van Kenia, ISO 4217-code KES; 1 shilling = 100 cents. Sinds 1966 zijn in Kenia munten en bankbiljetten in shillingwaarden uitgegeven. De eerste reeks munten is geslagen tot 1991. In 1994 verscheen een nieuwe reeks van messing-geplateerd staal van 10 en 50 cent en van 1 shilling, waarvan de 50 cent en de 1 shilling eerst in nikkel-geplateerd staal waren uitgevoerd. De hoogste waarden van de reeks zijn een 5 shilling van nikkelgeplateerd staal en een bimetaalmunt (binnen: koper-nikkel, buitenring: messing) van 10 shilling. Daarnaast verschijnen er verzamelaarsmunten.

3. sinds het verkrijgen van de onafhankelijkheid in 1962 uit shilling 1, voortgekomen munteenheid van Oeganda, ISO 4217-code UGZ; 1 shilling = 100 cents. Sinds 1966 zijn in Oeganda munten en bankbiljetten in shillingwaarden uitgegeven. De eerste reeks tot 1976 bestond uit munten van 5, 10 en 20 cent in brons en 50 cent en 1, 2 en 5 shilling in kopernikkel. Daarna werd voor de lage waarden koper-geplateerd staal gebruikt, waarvan de 5 en 10 cent alleen in 1976 zijn geslagen (de 20 cent kwam niet in de nieuwe reeks terug). Ook de nieuwe reeks in geplateerd staal van 1986-1987 was een eenmalige gebeurtenis. Daarna zijn er alleen nog verzamelaarsmunten geslagen.

4. shilling of shilin, ISO 4217-code SOS, sinds 1976 de munteenheid van Somalië, verdeeld in 100 senti.

5. shilling of shiligi, ISO 4217-code TZS, sinds 1964 de munteenheid van Tanzania.


  • Shilling george V 1911.jpg
  • Shilling groot brittannie cromwell shilling 1658.jpg
  • Shilling oeganda 1shilling 1968.jpg