Ga naar: navigatie, zoeken

Japan

Japan, keizerrijk in Oost- Azië, bestaande uit vier grote en een groot aantal kleine eilanden. De vroegste periode van muntvervaardiging in Japan viel in een tijdperk, waarin zich in het eilandenrijk een gecentraliseerde eenheidsstaat ontwikkelde.

Het administratieve systeem van de Chinese Tang-dynastie (618-907) werd in zijn geheel overgenomen.

De keizer was goddelijk en wereldlijk heerser die alle grond in eigendom bezat en het gehele volk behoorde tot zijn onderdanen.

De eerste munten van zilver en brons werden volgens één basisontwerp vervaardigd. De productie hiervan begon ca. 708 en duurde voor wat betreft het zilvergeld ongeveer een jaar. De productie van bronzen munten duurde ongeveer een halve eeuw.

Deze Japanse munten lijken erg veel op de munten die in China onder keizer KaoTsu (618-627) van de Tang-dynastie in omloop werden gebracht. De karakters op de Japanse munten moeten in tegenstelling tot de Chinese kloksgewijs worden gelezen. De waarde van deze bronzen munten werd in sen weergegeven, een benaming die tot heden in zwang is gebleven.

In 760 werd een hoeveelheid gouden, zilveren en bronzen munten vervaardigd, maar van de zilveren is geen enkel en van de gouden slechts één exemplaar bewaard gebleven.

De bronzen munten met de karakters "mannen tsuho" golden 1 tot 10 bronzen munten van de eerdere emissie. Tussen 708 en 958 zijn een dozijn verschillende munttypen geslagen, waarbij de opeenvolgende emissies een duidelijke achteruitgang in afwerking en metaalgehalte laten zien. Het laatste en tevens kleinste type is de "kengen daiho" uit 958.

Tussen het midden van de 10e eeuw en het midden van de 16e eeuw werden in Japan van overheidswege geen munten geslagen. In de praktijk behielp men zich met enkele van de twaalf typen bronzen sen uit de vorige periode, met vervalsingen daarvan en met geïmporteerde bronzen munten uit China en Korea.

Voor grote handelstransacties gebruikte men baar goud en vooral zilver. In de 14e eeuw waren er kooplieden in de provincie Yamata, die schuldbekentenissen (kitte) voor grotere hoeveelheden zilver uitgaven om het heen en weer slepen daarvan te beperken. Toen deze kitte ook overdraagbaar werden gebruikt, werden verenigingen van kooplieden gesticht die de inwisselbaarheid tegen zilver garandeerden.

Elk verenigingslid moest een borgsom storten. Ca. 300 jaar later is de uitgifte van schuldbekentenissen zo sterk toegenomen, dat van regeringswege daarop controle werd ingesteld. Japan kende dus al vrij vroeg een zekere vorm van papiergeldcirculatie.

Tijdens het sjôgoenaat nam de keizerlijke macht aften gunste van de machtige semi-feodale militaire sjôgoen. Met name de sjôgoen Toyotomi Hideyoshi (1582-1598) stimuleerde de economische en monetaire ontwikkeling. Waren tot dan toe bij grote handelstransacties ongemunte gouden platen gebruikt, onder Toyotomi werden ca. 1586 deze platen tot munten (oban) gemaakt door ze van instempelingen te voorzien. Boven en onder kwam een stempel met een kiribloem te staan waartussen de hoogste muntbeambte met Indische inkt de waarde en zijn handtekening plaatste. Tijdens het Tokugawa sjôgoenaat (1599-1867) waren er meerdere denominaties gouden obans in gebruik.

De standaard goudeenheid was de ryo. Op het basisgoudstuk stond een nominale waarde aangegeven van 10 ryo, maar het bevatte dikwijls beduidend minder goud.

De latere obans leken veel op die van Toyotomi, maar hadden geen opschriften met Indische inkt meer, maar gewoonlijk vier instempelingen op vz en 3 op kz. De goryoban of halve oban werd alleen in 1837 in de Tempo-periode geslagen.

De koban of tiende oban, waarvan in de periode 1601-1860 negen emissies werden geslagen, heeft geen garantieopschrift van Indische inkt en de vorm van de instempelingen is zeer verschillend. De kiribloem bevindt zich boven en onder aan de rand in een waaiervormige instempeling en niet in een ronde zoals bij de oban. Bovendien staat onder de bovenste en boven de onderste kiribloemstempel nog een rechthoekige instempeling. Op kz staan drie instempelingen waaronder één die de periode van muntslag aangeeft.

Op de kleine rechthoekige gouden muntjes van 2 en 1 bu bedekken de stempels bijna het gehele oppervlak.

Het zilver bleef langer ongemunt in gebruik dan het goud. Uit het laatste deel van de 18e en uit de 19e eeuw kennen we nog de rechthoekige zilverstukken, waarvan de ichibu gin of 1 bu zilver het meest veelvuldig voorkomen en die geslagen zijn in 1837, 1859 en 1868.

De bronzen belangrijke munt uit de eerste helft 17e eeuw was de kanei tsuho (4 mon), die 1626-1863 werd vervaardigd met op vz vier karakters en op kz golvende lijnen. Sommige latere emissies werden van messing en ijzer gemaakt. De koperen bunkyo eiho van 4 mon, eveneens met vier karakters op vz en golvende lijnen op kz werd van 1863 tot de munthervorming van 1869 geslagen: de ovale tempo tsuho van 100 mon werd 1835-1870 gemaakt.

In de 17e eeuw werd lokale heersers (daimyos) toegestaan op eigen naam papiergeld in omloop te brengen, het zgn. hansatsu (han = gebieden, satsu = biljet). Dit circuleerde naast de kitte van de kooplieden.

Oorspronkelijk waren de hansatsu gedekt door bepaalde gewichtshoeveelheden koper, zilver of goud (eenheid 1 ryo = 4bu = 16 shu). Later werden ze ook gedekt door goederen, zoals graan en sake (= rijstwijn), doch de koers van deze biljetten was sterk aan schommelingen onderhevig. Omdat er meer dan 250 daimyos waren die elk 4 a 5 verschillende biljetten uitgaven, werd de circulatie van hansatsu al heel gauw erg onoverzichtelijk.

Voorts was het de daimyos toegestaan het uitgifterecht aan particulieren (meest fabrikanten) te verlenen en schuldbekentenissen op bepaalde hoeveelheden goederen uit te geven. De eeuwenlange onderlinge strijd van de daimyos (aanhangers van de sjôgoen tegen die van de keizer) beïnvloedde de koers van de hansatsu erg nadelig.

Toen 1868 de sjôgoens aan de kant werden gezet en de keizer zijn macht herstelde, kon een monetaire hervorming worden doorgevoerd.

Het herstel van de keizerlijke macht in de persoon van Moetsoehito in 1868 leidde een nieuw tijdperk in, de Méidji-periode (méidji = verlichte regering), waarin talrijke vernieuwingen werden doorgevoerd.

In 1869 vond een monetaire hervorming plaats, de munteenheid werd de yen = 100 sen = 1000 rin. De eerste emissie nieuwe munten werd 1870 geslagen en bestond uit zilverstukken van 1 yen en 50, 20, 10 en 5 sen met op vz een draak en een omschrift in karakters die de landsnaam, het tijdperk en de waarde aangaven. Op kz stond een open krans die gesloten werd door een chrysanthemum met daarbinnen karakters die de waarde aangaven.

In 1870-1871 werd een reeks goudstukken van 1, 2, 5, 10 en 20 yen in circulatie gebracht. Aan de beide reeksen werd voorts een reeks koperstukken van 2, 1, en ½ sen (= 5 rin) en 1 rin toegevoegd van hetzelfde ontwerp als de zilverstukken.

In 1873-1874 werden de zilveren munten in grootte en gewicht gereduceerd, terwijl 1897 de goudstukken van 20, 10 en 5 yen een nieuwe beeldenaar kregen met op vz een zon en op kz een open krans met in de opening een chrysanthemum en daarbinnen de waarde. De gouden yen werd 1880 voor het laatst geslagen.

In 1907 werd de voorzijdebeeldenaar op de sen-munten gewijzigd in een zon binnen een kersebloesem.

Gedurende de regering van Yoshihito (1912-1926) kwam in 1920 een einde aan de productie van de 20 yen en in 1924 aan die van de 5 yen.

Uitgezonderd de 50 sen werden vanaf 1911-1912 geen zilverstukken meer gefabriceerd. Van de 50 sen werden de beeldenaars gewijzigd: zon op vz en twee mythologische eeuwiglevende vogels ter weerszijden van de waarde op kz. De bronzen 1 en 5 rin hadden nu op vz de kiribloem zoals vroeger op de oban en de koban van het sjôgoenaat stond.

Onder Hirohito (1926-1989) werden van 1929-1931 nog gouden 5 en 20-yenstukken gemaakt. De aanmaak van zilveren en bronzen munten werd in 1937 gestaakt om plaats te maken voor oorlogsuitgiften.

Van 1938 tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bestonden deze uit 5- en 1-senstukken van aluminium en 1944-45 zelfs van een tinlegering.

De na-oorlogse muntreeks is opgebouwd volgens het 1-2-5-systeem met waardeaanduidingen in Westerse (= Arabische) cijfertekens. De beeldenaars bevatten bloemen, vogels, architectonische en landschappelijke voorstellingen. Voorts heeft Japan na de oorlog herdenkings- en verzamelaarsmunten uitgegeven. Voor Nederlands-Indië werden in de Osaka Munt 1943-1944 1- en 10-senmunten vervaardigd met als enig opschrift DAI NIPPON ( = Groot Japan).

In de jaren 1875-1877 sloeg Japan handelsdollars ( trade dollar ). De munthervorming van 1869 had ook haar weerslag in de papiergeldcirculatie.

In 1872 werd het nieuwe geld, dat door de drukkerij Dondorff & Naumanns te Frankfurt a/Main was gedrukt, in omloop gebracht. Deze nieuwe reeks bevatte de waarden 10, 20 en 50 sen en 1, 2, 5, 10, 50 en 100 yen. Sinds 1869 circuleerden ook biljetten van wisselbanken met een dekking in koper, zilver of goud. Op het papiergeld met gouddekking na werden ook deze biljetten door munten of staatspapiergeld vervangen.

De grote hoeveelheid van regeringswege in omloop gebrachte biljetten zorgde echter voor een geldontwaarding.

Om orde op zaken te stellen werd met behulp van emissiebanken het staatspapiergeld vervangen door bankbiljetten. De Bankwet van 13 dec. 1872 (gewijzigd 1 aug. 1876) maakte de oprichting en de activiteiten van emissiebanken mogelijk. Ook nu werd het beoogde doel niet bereikt, er waren teveel emissiebanken (152 stuks in 1879).

De rebellerende generaal Saigo Takamori had bovendien tot 1877 eigen op linnen gedrukt geld in de waarden 10, 20 en 50 sen en 1, 5 en 10 yen in omloop gebracht.

Op 27 juni 1882 werd de Bank van Japan (Nippon Ginko) opgericht en het gelukte deze bank in de periode tot 1904 door uitgifte van tegen zilver en later ook tegen goud inwisselbare biljetten van 1,5,10 en 100 yen al het niet-inwisselbare papiergeld uit het verkeer te halen.

Later werden ook biljetten van 20, 100 en 200 yen uitgegeven. 1917-1922 ontstond er een tekort aan circulerend kleingeld en hierin werd voorzien met het in omloop brengen van 10-, 20- en 50-senbiljetten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden nogmaals verschillende typen muntbiljetten van 50 sen in omloop gebracht.

Bij de munthervorming van 1946 mocht men per persoon voor 500 yen tegen een koers van 1 op 1 aan oude biljetten omwisselen tegen oude biljetten die van staatswege van een opdruk waren voorzien.

Deze laatste konden op hun beurt weer ingewisseld worden tegen nieuwe biljetten. In 1967 werden de 50- en 100-yenbiljetten vervangen door munten, waardoor de huidige bankbiljettenreeks bestaat uit denominaties van 500, 1000, 5000 en 10000 yen. De ISO 4217-code voor de yen is JPY. Tijdens de na-oorlogse bezetting van Japan door Amerikaanse troepen gaf de American Military Authority zgn. military currency-notes uit.

Ook van Japan zijn vele militaire uitgiften bekend: voor de oorlogsgebieden Rusland en China (1904) en voor de tijdens de Tweede Wereldoorlog bezette gebieden.

In de bezette Chinese gebieden werden 1938-'44 militaire uitgiften in omloop gebracht door speciaal voor dit doel opgerichte emissiebanken.

W.

Méidji (Moetsoehito) 1868-1912

Taisjö (Josjihito) 1912-1926

Sjówa (Hirohito) 1928-1989

(Akihito) 1989-

Lit.:

Jacobs/Vermeule, Japanese Coinage, New York, 1972.


  • Japan 1 yen 1914.jpg
  • Japan ichibu kin.jpg
  • Japan ichubu gin.jpg
  • Japan koban.jpg
  • Japan koban leeuw.jpg
  • Japan mon.jpg
  • Japan mon gaatjesmunt.jpg
  • Japan osaka mint 4 dec 1909.jpg
  • Japan replica.jpg
  • Japan yen.jpg