Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, nieuw goud en zilver

Geschiedenis geld, nieuw goud en zilver

(zie voor de periode hiervoor: geschiedenis geld, middeleeuwen, Bourgondische periode)

Dankzij technische vernieuwingen was het in de tweede helft van de vijftiende eeuw mogelijk geworden om nieuwe goud- en zilvermijnen te openen in Midden-Europa en oude mijnen opnieuw in exploitatie te nemen. Het hierdoor verkregen edelmetaal werd hoofdzakelijk in de vorm van munten op de markt gebracht. Het nieuwe aanbod van zilver maakte de uitgifte van grotere zilveren munten mogelijk. Dit gebeurde voor het eerst in Venetië in 1472. Later experimenteerden ook verschillende Duitse vorsten als aartshertog Sigismund van Tirol en de hertogen van Saksen met nieuwe zwaardere zilveren munten die dezelfde koopkracht hadden als de al bestaande gouden munten, maar alleen in Saksen was van een constante productie sprake.

Rond 1520 lieten de graven van Schlick te Joachimsthal in het Ertsgebergte (nu Tsjechoslowakije) grote zilverstukken van bijna 30 gram slaan die men al spoedig Joachimstalers, later afgekort tot talers, noemde. Hiermee kregen de nieuwe grote zilveren munten een eigen naam. Daarvoor noemde men ze "Guldengroschen", "Guldiner" of "groszen Groschen". Van de naam taler zijn onder andere daalder en dollar afgeleid. Vanaf ongeveer 1540 begonnen de daalders een centrale plaats in de Europese geldomloop in te nemen. De eerste Nederlandse daalders werden in 1538 geslagen in Gelderland door hertog Karel van Gelre (1492-1538). In hetzelfde jaar volgde de stad Nijmegen en het gezamenlijke munthuis van de steden Deventer, Kampen en Zwolle, Drie Steden. In 1540 reageerde Karel V met een zilveren karolusgulden van iets meer dan 20 gram, die gelijk in waarde was aan de gouden karolusgulden. Deze munt was echter geen succes, mogelijk omdat hij veel lichter was dan de daalder van 30 gram. Pas in 1557 kwam Philips II met een zware philipsdaalder die enkele tientallen jaren de belangrijkste Nederlandse zilveren munt zou zijn.

Er zijn verschillende redenen aan te wijzen waarom het grote zilvergeld pas laat in de Nederlanden ingevoerd werd.

Allereerst natuurlijk, omdat de Nederlandse vorsten niet over eigen zilvermijnen konden beschikken. Dit veranderde pas na 1545 toen het zilver uit rijke mijnen van de Spaanse kolonies in Midden- en Zuid-Amerika naar het moederland Spanje getransporteerd werd en van daaruit naar de Nederlanden.

Een andere oorzaak is mogelijk de overvloedige aanwezigheid van goud in de Nederlanden in de eerste tientallen jaren van de zestiende eeuw. Antwerpen was in deze tijd verreweg het belangrijkste handelscentrum van het noorden van Europa, waar kooplieden uit alle windstreken naar toe kwamen om handel te drijven. De Portugezen namen hier een belangrijke plaats in. Vanaf ongeveer 1450 hebben de Portugezen ontdekkingsreizen langs de Afrikaanse kust gemaakt, waardoor ze in contact kwamen met de goudhandelaars van Mali. Behalve goud brachten de Portugezen ook specerijen naar Antwerpen.

Nieuw uiterlijk van de munten Behalve de diameter en het gewicht van de munten veranderde ook het uiterlijk. De voor de Renaissance zo kenmerkende belangstelling voor de klassieke oudheid liet zich ook gelden op het gebied van de munten. In Italië werden de middeleeuwse Gothische letters in het midden van de vijftiende eeuw vervangen door Romeinse letters. Geleidelijk volgden daarna ook andere landen. In de Nederlanden vond de overgang plaats rond 1520-1530. Ook de Romeinse cijfers werden vervangen door de moderne Arabische cijfers die wij nu nog steeds gebruiken. Vooral in de Nederlanden werden de munten in de loop van de zestiende eeuw steeds meer van een jaartal voorzien, een gebruik dat zich in andere West-Europese landen veel later inzette.

Een ander kenmerk van de Renaissance was de belangstelling voor de mens als individu.

Dit begon zich ook op de munten te weerspiegelen. In plaats van symbolen of een stereotiep hoofd met een kroon of mijter, verschenen er na 1470 in Italië levensechte portretten op de munten. De krachtige keizersportretten uit de bloeitijd van het Romeinse rijk (geliefde verzamelobjecten) zullen ongetwijfeld tot de inspiratie hebben bijgedragen.

In de Nederlanden verschenen de portretten pas voor het eerst in 1540 op de grote zilveren karolusgulden.

Vanzelfsprekend kwamen deze veranderingen in het uiterlijk van de munten niet ineens.

In de periode 1500-1550 zien we nog Gothische letters om een modern portret of de nieuwe Romeinse letters om een middeleeuwse vorstenafbeelding. Hieruit blijkt duidelijk dat vernieuwingen tijd nodig hebben om geaccepteerd te worden.

Ook de technische vernieuwing van de muntslag had de aandacht van diverse Renaissancegeleerden als Leonardo da Vinci en Bramante. Hun voorstellen werden echter niet door de conservatieve muntgilden overgenomen. Het duurde tot ongeveer 1550, voordat de eerste mechanische muntslag in Zuid-Duitsland en Oostenrijk op gang kwam. Men streefde drie soorten verbeteringen na: volmaakt gladde muntplaatjes (niet hameren maar walsen), geheel ronde plaatjes (niet knippen maar stansen) en perfecte muntslag (niet met de hamer maar met een muntpers). In veel landen wist het muntpersoneel de vernieuwingen tegen te houden. In Frankrijk probeerde men de mechanisering ook rond 1550 in te voeren, maar het duurde tot 1645 voordat de gehele muntslag gemechaniseerd was. In Engeland vonden de eerste experimenten in 1631 plaats, in de Noordelijke Nederlanden in 1670 en in de Zuidelijke Nederlanden werden de eerste muntpersen opgesteld in 1686.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, kopergeld.