Ga naar: navigatie, zoeken

Middelburg

Middelburg, Nederlandse gemeente op Walcheren en hoofdstad van de provincie Zeeland, ontstond vóór of in de 12e eeuw aan de Arne, kreeg in 1217 stadsrechten en werd dankzij de gunstige ligging een belangrijk handelscentrum.

Het bezit van Zeeland en daarmee ook van Middelburg, werd lange tijd betwist door de graven van Vlaanderen en van Holland. Nadat de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers in 1323 zijn verzet staakte, is Zeeland nauw met Holland verbonden geweest en kon Middelburg zich ontwikkelen tot regionaal geestelijk en wereldlijk bestuurscentrum.

Tegen het einde van de 12e eeuw zijn, waarschijnlijk door de Vlaamse graven, penningen geslagen met op de vz een krijgsman en de tekst +CIV+MID en op de kz een kruis.

Ook worden tekstloze penningen uit de 13e eeuw met op de vz staven of kromstaven wel aan Middelburg toegeschreven.

Gwijde van Vlaanderen sloeg in 1304 tijdens een oorlog met Holland te Middelburg groten Tournoois naar Frans voorbeeld met de titel Graaf van Zeeland en een verwijzing naar de stad.

Onder Willem V (1354-1389), graaf van Holland en Zeeland, is in 1366- 1367 in Middelburg een tweede Hollandse munthuis werkzaam geweest, waarin plakken of dubbele groten naar Vlaams voorbeeld en zonder muntplaatsaanduiding zijn gemaakt.

In de eerste jaren van de Opstand tegen het Spaanse gezag verzette de burgerij van Middelburg zich tegen de Watergeuzen; in het voorjaar van 1572 werd de stad door de Geuzen geblokkeerd en op 19 februari 1574 voor de Prins van Oranje ingenomen.

Tijdens het beleg en kort daarna zijn drie emmissies noodgeld geslagen. Op 20 december 1572 werd besloten van door de burgerij en gilden reeds ingeleverd zilver hele en halve daalders op het gewicht en gehalte van de Bourgondische of kruisdaalder te slaan, die voor resp. 36 en 18 stuivers in omloop werden gebracht.

Op 20 januari 1574 (1573 o.s.) werd besloten ook gouden voorwerpen tot noodmunten om te werken, naar gewicht en gehalte overeenkomend met de zonnekroon. De kronen werden voor 48 stuivers in omloop gebracht.

Er zijn ook dubbele kronen en viervouden gemaakt; de laatste waren speciaal bestemd om aan regeringspersonen te schenken

Op de beide emissies staat de tekst (afgekort) DEO REGI PATRIAE FIDELIS MIDDELBURG.

In maart 1574 werden nogmaals kronen en hele en halve daalders geslagen, die vermoedelijk hebben gediend om de door de overwinnaars opgelegde schatting te betalen.

Deze derde emissie draagt het opschrift (afgekort) LIBERTAS RESTITUTA SENATUS POPULUSQUE ZELANDIAE SOLI DEO HONOR.

Op noodmunten van de 1e en 2e emissie komen Hollandse of Zeeuwse verhogingskloppen voor, die kort na de capitulatie erop zullen zijn aangebracht, terwijl de onbewerkte keerzijden soms graveringen vertonen, waarvan het merendeel verwijst naar het beleg en de doorstane ontberingen.

In 1580 werd te Middelburg een provinciaal munthuis (muntteken: burcht) opgericht, dat in juli 1799 werd opgeheven. In de jaren 1580- 81 werden, aanvankelijk nog op naam van Philips II als graaf van Zeeland, muntsoorten uit de Bourgondische Nederlanden gemaakt: gouden kronen en Bourgondische daalders (niet teruggevonden), hele en halve philipsdaalders, statenstuivers, -oorden, en -duiten alsmede achtvoudige, dubbele en enkele Spaanse dukaten.

Vervolgens werden er op grond van ordonnanties van de Staten-Generaal en provinciale reglementen munten geslagen zoals die ook elders in de Noordelijke Nederlanden zijn vervaardigd.

Voor de "Vereenigde Zeeuwsche Compagnie" (1601 -1602) werden in 1602 in de Middelburgse Munt stukken van 8 Spaanse realen geslagen voor de handel op Oost-Indië, later was de kamer Middelburg van de VOC, een van de meest belangrijke opdrachtgevers. Behalve de reguliere muntsoorten werden speciale emissies geslagen met het VOC-embleem: ducatons (1728- 1741, 1754), driegulden (1789), hele en halve guldens (1791), duiten (1729-1794) en halve duiten (1770- 1789).

Tijdens de Franse bezetting van Zeeland in 1795 kwamen Franse assignaten in omloop' 'en werden stedelijke recepissen uitgegeven. Ook zijn in 1795 te Middelburg koperen munten van 1/8 livre (= 2½ sol) in circulatie gebracht die bedoeld waren als pasmunt bij de assignaten (livire, assignaat). Tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806) werden de oude munttypen nog incidenteel aangemaakt tot de Zeeuwse Munt in 1799 werd gesloten.

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog ontstond er in ons land een gebrek aan contant geld, waardoor er allerwegen noodgeld werd uitgegeven. Zie voor de overige muntplaatsen in de Nederlanden de lijst muntplaatsen. In de periode 10-27 augustus 1914 heeft een viertal winkeliers in de Middelburgsche Courant advertenties geplaatst met de mededeling, dat spaarzegels (vermoedelijk volgeplakte spaarkaarten) van de tussen 1900 en 1904 opgerichte Vereniging "Handelsbelang" bij hen in betaling werden aangenomen.

W.

Lit.: Broekema, J., Geschiedenis der Zeeuwse Munt. Middelburg 1881; herdrukt 1980;

Gelder, H. Enno van, (artikel) Munten in Encyclopedie van Zeeland, 1982, deel II, blz. 352-356;

Jacobi, H.W., De mechanisatie van het Zeeuwse muntbedrijf in 1671. Overgedrukt uit het Archief van het Kon. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1982;

Man, M.G.A. de, De kosten van het bouwen van een munthuis te Middelburg in 1363-1366, TMP (1900) 89-118;

Verkooijen, J.M.H.F.M., Catalogus van het Nederlandse noodgeld van de Eerste Wereldoorlog en het interbellum, deel II het noodgeld van bedrijven en andere particuliere instellingen, Maastricht 1994, blz. 37;

Wis, J.C. van der, Mysteries en misverstanden rond Zeeuwse guldens, De Beeldenaar (1994) 74-77.

  • Middelburg Karimabad VOC baar.jpg
  • Republiek, Zeeland, daalder van 30 stuivers, 1683, zilver, met het muntteken van Middelburg (uitvergroot).
  • Middelburg, noodmunt van 1/2 daalder, 1572, zilver, tot hanger verwerkt.
  • Middelburg velddaalder 1572.jpg