Ga naar: navigatie, zoeken

Zeeland

Zeeland, Nederlandse provincie, omvattende de (Zeeuwse) eilanden en het tot het vasteland behorende Zeeuws-Vlaanderen. De Zeeuwse eilanden werden in de late Middeleeuwen lange tijd betwist door de graven van Vlaanderen en Holland (Holland, graafschap). Nadat de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers in 1323 zijn verzet staakte, zijn de eilanden nauw met Holland verbonden geweest. Tijdens de Republiek was Zeeland een geheel zelfstandige provincie die alleen enkele instellingen met Holland gemeenschappelijk had, zoals Hof en Hoge Raad. Zeeuws-Vlaanderen, dat tot in de 17e eeuw tot het graafschap Vlaanderen heeft behoord, werd in de Tachtigjarige Oorlog stukje bij beetje voor de Verenigde Provinciën ingenomen en viel als generaliteitsland onder de naam Staats-Vlaanderen onder het gezag van de Staten-Generaal. In 1814 werd Staats-Vlaanderen met Zeeland verenigd.

1. Landsheerlijke muntslag

a. graven van Vlaanderen

Uit Zeeland-bewesten-Schelde is een aan Middelburg toegeschreven muntje bekend, dat mogelijk is geslagen door Philips van den Elzas (1168-1191). Voorts bestaan er tekstloze 13e-eeuwse penningen met op de vz staven of kromstaven die mogelijk door Vlaamse graven in Zeeland zijn geslagen. In 1304 zijn door Gwijde van Namen (ca. 1276-1311), die tijdens de Vlaams-Hollandse oorlog voor zijn vader, Gwijde van Dampierre (1278-1305), graaf van Vlaanderen, Middelburg bezet hield, aldaar Tourse groten (groot Tournoois) met de titel "Graaf van Zeeland" geslagen.

In Zeeuws-Vlaanderen is enkele malen door de Vlaamse graven gemunt te:

Axel onder Johanna van Constantinopel (1205-1244) of Margareta (1244-1278);

Aardenburg door Robert van Béthune (1305-1322), die er ongedateerde sterlingen met plaatsnaamvermelding (MON-ETA-ARDENB) heeft laten slaan;

Sluis in 1492 op naam van Philips de Schone door de uit Gent verdreven opstandelingen tegen zijn vader, Rooms koning Maximiliaan, die toen als regent optrad.

b. graven van Holland

Onder Willem V (1354-1389) is in 1366-1367 een tweede Hollands munthuis te Middelburg werkzaam geweest, waar plakken zijn geslagen. Sinds Willem V lieten de Hollandse graven (uitgezonderd Maria van Bourgondië) zich op hun te Dordrecht geslagen munten geregeld graaf van Holland én van Zeeland noemen.

2. Provinciaal geld

Gebruikmakend van de politieke instabiliteit, ontstaan in de eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog, besloot het Staten-college in december 1579 een provinciale Zeeuwse Munt op te richten, hetgeen aanvankelijk op hevig verzet van o.a. Holland stuitte. Ondanks dat werd er in 1580 te Middelburg een munthuis geopend, dat aanstonds met de muntslag aanving. Het algemene muntplakkaat van Leicester van 1586, bevestigd door de Staten-Generaal in 1589, erkende het bestaan van de Zeeuwse Munt. Op grond van provinciale reglementen en van ordonnanties van de Staten-Generaal is te Middelburg een grote verscheidenheid aan munten geslagen.


Anders dan in de overige provincies verhoogden de Staten van Zeeland in 1672 de koers van de Zeeuwse zilveren dukaat of rijksdaalder (dukaat, zilveren) op 51 stuivers, welke verhoging samenviel met de invoering van het nieuwe met de schroefpers vervaardigde model. In 1747 werd de koers naar 52 stuiver gebracht, in 1763 naar 53 stuiver, maar in 1816 weer op 52 gesteld. Door de hogere koers ten opzichte van elders in de Republiek geslagen zilveren dukaten van 50 stuiver, verdwenen de laatste naar het buitenland, vooral naar de landen rond de Oostzee. De Zeeuwse rijksdaalders daarentegen werden, bij gelijke intrinsieke waarde, in het gehele land tegen de hogere koers in betaling aangenomen. De hogere koers en de daarmee samenhangende hogere winstmarge ten opzichte van andere muntsoorten hadden tot gevolg dat de Zeeuwse Munt sinds 1672 vrijwel uitsluitend zilveren dukaten heeft gemunt.

Hoewel in de Republiek behalve rijksdaalders ook halve rijksdaalders zijn geslagen, heeft alleen Zeeland bovendien sinds 1760 kwart en sinds 1762 achtste (pietje) rijksdaalders gemunt.

In 1580-1581 werd nog gemunt op naam van koning Philips II als graaf van Zeeland, maar daarna op naam van (het graafschap of van de Staten van) Zeeland. De provinciale Zeeuwse Munt is tot in 1799 werkzaam geweest.

In 1795 heeft de Provincie recepissen in omloop gebracht. Voorts zijn in 1795 koperstukjes geslagen met op de vz het gekroonde Zeeuwse provinciewapen met wapenspreuk en op de kz het jaartal en de waarde 1/8 LIVIRE IS 2½ STUIVER. Met stuiver werd de Franse sol bedoeld. 20 sols = 9 Nederlandse stuivers. Voorts heeft de Provincie in het begin van de Tweede Wereldoorlog noodgeldbiljetten van 1 gulden en misschien van 2½ en 5 gulden laten drukken, gedateerd 17 mei 1940. Deze zijn niet in omloop gebracht.

3. Stedelijk en gemeentelijk noodgeld

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog zijn er noodmunten (noodgeld) geslagen te Middelburg (1572-1574) en te Zierikzee (1575-1576). Tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn noodgeldbiljetten uitgegeven door de gemeenten Dreischor en Wolphaartsdijk en door particulieren te Goes, Middelburg en Vlissingen.

Zie voor de overige muntplaatsen in de Nederlanden de lijst muntplaatsen.

Zie voor de overige plaatsen in de Nederlanden waar papiergeld is uitgegeven de lijst papiergeldplaatsen.


W.

Lit.:

Beuth, L.S., Geschiedenis van en geheimschrift op de Zeeuwse zilveren dukaten van 1659-1798, JMP (1955) 41-70 en (1957) 60;

idem, De halve, kwart en achtste zilveren dukaat, JMP (1958) 144-150;

Broekema, J., Geschiedenis der Zeeuwse Munt, etc, Middelburg 1881, fotografische herdruk Middelburg 1980;

Gelder, H.E. van, Stempels van Zeeuwse zilveren dukaten, JMP (1969/70) 124-130;

Jacobi, H.W., De mechanisatie van het Zeeuwse muntbedrijf in 1671, in Archief van het Kon. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1982);

Man, M.G.A. de, Iets uit de geschiedenis der Zeeuwse assignaten in 1795, TMP (1896) 223-256;

idem, De kosten van het bouwen van een munthuis te Middelburg in 1363-1366, TMP (1900) 89-118;

idem, De verpachting der Zeeuwse munt in 1601, JMP (1916) 178-182;

idem, De Zeeuwsche Daalder van dertig stuivers of zestig grooten mede-aanleiding tot het totstandkomen van de Generale Ordonnantie van 1606, JMP (1920) 1-25;

idem, Hoe gehandeld is geworden met de materialen en stempels van de Zeeuwse Munt, na de sluiting ervan in 1799, JMP (1937) 89-90;

idem, De grafelijke Munt van Zeeland en de balansmeesters die ervoor hebben gewerkt, JMP (1922) 41-69;

Meer, G. van der, Martinus Holtzhey Jr. en de Zeeuwse duiten van 1754, JMP( 1961)78-85;

idem, Emoties rond de kwart en achtste zilveren dukaten van 1762, JMP (1983) 31-57;

Puister, A., Een tot nu toe onbekende Nederlandse sterling [Aardenburg], JMP (1958) 151;

Wiel, H.J. van der, Zeeuwse zeldzaamheden, De Geuzenpenning (1966) 30-32;

idem, De scheepjesschellingen van Zeeland, JMP (1982) 47-68;

idem, De Zeeuwse daalders en dubbele daalders (1676-1693), JMP (1986) 73-91;

Wiel, H.J. van der, en C.J.F. Klaassen, De Zeeuwse hoedjesschellingen, JMP (1985) 50-64;

Wis, J.C. van der, Mysteries en misverstanden rond Zeeuwse guldens, De Beeldenaar (1994) 74-77, (1998) 187.


  • Zeeland achtste livire 1795.jpg
  • Zeeland arendsdaalder 1602.jpg
  • Zeeland daalder 30 st 1681.jpg
  • Zeeland dubbele daalder 3 gld.jpg
  • Zeeland dubbele dukaat.jpg
  • Zeeland dubbele stuiver 1672.jpg
  • Zeeland ducaton 1659.jpg
  • Zeeland ducaton 1794.jpg
  • Zeeland duit 1787 met cartouches.jpg
  • Zeeland gehelmde rijksdaalder maurits 1603.jpg
  • Zeeland gouden rijder 1606.jpg
  • Zeeland klop.jpg
  • Zeeland leeuwendaalder 1598.jpg
  • Zeeland pietje 1771.jpg
  • Zeeland scheepjesschelling 1768 zonder mt.jpg
  • Zeeland vel recepissen 1795.jpg