Ga naar: navigatie, zoeken

Mijter

mijter, uit Gr./Lat. mitra = haarband; oorspronkelijk een van een haarband voorziene kaproen-achtige hoofdbedekking, een zgn. oosterse muts. Sinds de 10e eeuw werd de mijter door de paus als hoogwaardigheidsteken verleend aan zowel wereldlijke als geestelijke vorsten.

In het begin van de 12e eeuw werd hij, met kromstaf en (evangelie)boek, een specifiek attribuut van bisschoppen (en aan hen gelijkgestelde abten) en kreeg hij een liturgische functie als symbool van het bisschoppelijk leerambt.

Deze liturgische mijter wordt gevormd door twee schilden (horens) die aanvankelijk aan de zijkanten, doch later aan de voor- en achterzijde worden gedragen.

Hij symboliseert de kennis van het Oude en Nieuwe testament naar letter en geest. De horens zijn de beide testamenten, de aan de achterzijde afhangende linten (Lat. infulae) zijn de geest en de letter.

De mijter komt op munten voor als hoofddeksel van bisschoppen, als attribuut van heilige bisschoppen en als schilddekking van bisschoppelijke wapens. Ook de bolvormige kap van de keizerskroon wordt wel mijter genoemd; kroon.

G.


  • Kampen, daalder met St. Nicolaas, z.j. (1538), zilver, met mijter op het hoofd.
  • Utrecht, Hendrik van Vianden (1250-1267), penning, z.j., zilver, mijter met punten aan de zijkanten.
  • Utrecht, Jan van Arkel (1342-1364), groot, z.j., zilver, met de punten voor en achter, uit de Vondst Arnhem.
  • Mijter wilbrand van oldenburg penning.jpg