Ga naar: navigatie, zoeken

Geschiedenis geld, noodmunten

geschiedenis geld, noodmunten

Oorlogen veroorzaken een verstoring van de geldomloop, omdat munten van goud of zilver worden achtergehouden. Dit gebeurde ook nog in de Tweede Wereldoorlog.

Toen kon men de problemen nog gedeeltelijk opvangen door bankbiljetten bij te drukken, maar dat was in de zestiende eeuw nog niet mogelijk. Toch werd ook in de zestiende eeuw de overheid gedwongen om de geldcirculatie in stand te houden.

Om de oorlog te financieren en voldoende geld in omloop te houden werd noodgeld gecreëerd.

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) geeft vele voorbeelden van vindingrijke oplossingen om het gebrek aan geld te bestrijden. Vele steden die door de Spanjaarden belegerd werden, lieten eigen noodmunten slaan. Het uiterlijk van deze noodmunten varieerde van stad tot stad en was afhankelijk van de aanwezigheid van een munthuis in de belegerde plaats en van het materiaal dat voorhanden was.

In Haarlem (1572-1573) en Middelburg (1572-1574) was voldoende edelmetaal in de stad en werden vierkante plaatjes zilver van eenvoudige stempels voorzien en zonder verhoogde koers uitgegeven.

In Leiden werden in 1574 noodmunten van papier vervaardigd die alleen door het dreigen met hoge geldboetes door het publiek geaccepteerd werden. In Maastricht sloeg men in 1579 in het daar aanwezige munthuis ook fiduciair geld om in de behoefte te voorzien. Vanwege de beschikbare techniek kon men hier grote koperen munten slaan. Daarna is gedurende vele oorlogen gebruik gemaakt van enige vorm van noodgeld.

Klop en reserve Er waren ook andere manieren om in tijden van nood aan geld te komen. Soms sloot een vorst grote geldleningen om bijvoorbeeld een oorlog te financieren. Philips II heeft nooit met de muntvoet willen knoeien. Tijdens zijn regering zijn er tussen 1557 en zijn dood in 1598 steeds goede philipsdaalders geslagen, waarvan het gewicht en het gehalte in die veertig jaar niet gewijzigd werden, ook al ging hij vanwege zijn vele leningen enkele malen bankroet.

De Staten van Holland en Zeeland moesten in 1573 wel overgaan tot monetaire financiering.

Er kwam een belasting op al het geld dat in omloop was. Dit gebeurde door de grote zilveren en gouden munten te "kloppen", dat wil zeggen te voorzien van een kleine instempeling. De geklopte stukken waren daarna gangbaar tegen een hogere koers. Bij inlevering van acht ongeklopte philipsdaalders kreeg men slechts zeven geklopte exemplaren terug die dezelfde nominale waarde vertegenwoordigden.

Ook werd het kleingeld, dat in de Noordelijke Nederlanden nog steeds een fractie zilver bevatte, vervangen door zuiver koperen kleingeld.

Twee jaar later, in 1575, maakten de Staten van Holland de uitgifte van een nieuwe daalder bekend die later de naam leeuwendaalder kreeg. Volgens de plakkaten had deze munt een koers van 32 stuivers, maar hij bevatte slechts voor 29 stuivers aan zilver. Het verschil van 3 stuivers werd onder de naam van reserve toegevoegd aan de bijna lege oorlogskas.

Zie voor de periode hierna: geschiedenis geld, de Noordelijke Nederlanden en geschiedenis geld, de Zuidelijke Nederlanden.