Ga naar: navigatie, zoeken

Pasmunt

pasmunt, of deelmunt, verzamelnaam voor munten die tot beperkte bedragen wettig betaalmiddel zijn, in tegenstelling tot standaardmunten waaraan geen beperkingen zijn opgelegd.

Met de Muntwet van 1816 werd naar Frans voorbeeld in het Koninkrijk der Nederlanden een decimaal muntstelsel ingevoerd, waarbij de munteenheid was verdeeld in 100 pasmunten (centen); behalve koperen pasmunten van 1 en ½ cent zouden er zilveren pasmunten met de nominale waarden van ¼, 1/10 of 1/20 van de geldeenheid circuleren.

De pasmunten droegen, in tegenstelling tot de standaardmunten, niet de beeltenis van de koning, maar de gekroonde beginletter W van 's konings naam; eerst in 1848 werd hiervan afgeweken. Men behoefde volgens de Muntwet 1816 niet méér aan zilveren pasmunt aan te nemen dan een vijfde van het te ontvangen bedrag of een gulden aan kopergeld.

Nadat als gevolg van de Tweede Wereldoorlog in Nederland aan de aanmunting van zilveren standaarden pasmunten een einde was gekomen, werden met de Muntwet van 1948 zilveren guldens en rijksdaalders heringevoerd, maar deze waren niet meer voor onbeperkte bedragen wettig betaalmiddel en dus van tekenmunt tot pasmunt geworden.

In Nederland zijn in 1994 de bij Algemene Maatregel van Bestuur vastgestelde bedragen, tot welke de verschillende pasmunten in het betalingsverkeer moeten worden aangenomen: ƒ 1000,- aan 50-guldenstukken; ƒ 500,- aan 10- en5-guldenstukken; ƒ 100,-aan 2½ - en 1-guldenstukken; ƒ 25,-aan stukken van 25 en 10 cent; ƒ 5,- aan stukken van 5 cent.

In België is de bij Koninklijke Besluiten vastgestelde wettelijke betaalkracht van de deelmunten: 1000 frank aan 50- en 20-frankstukken; 200 frank aan 5-frankstukken; 100 frank aan 1 -frankstukken; 20 frank aan 50-centiemstukken.

Aan de zilveren herdenkingsmunten van 500 frank en de Belgische muntstukken uitgedrukt in ECU (European Currency Unit) zijn met betrekking tot de wettelijke betaalkracht geen beperkingen opgelegd en zij zijn daarom geen pasmunten.

W.