Ga naar: navigatie, zoeken

Muntvondst

muntvondst, vondst van verloren of opzettelijk verborgen munten, soms bestaande uit één enkele munt, soms bestaande uit meer dan tienduizend exemplaren. De meeste munten worden in de bovenlaag van de bodem aangetroffen. Muntvondsten zijn van wetenschappelijk belang omdat ze informatie bieden over de monetaire, economische en politieke situatie op het moment van verbergen of verliezen. Het eigendom van gevonden munten is geregeld in het Burgerlijk Wetboek en in Nederland in de Monumentenwet. Muntvondsten hebben altijd tot de verbeelding gesproken. Het ontdekken van een onverwachte schat geeft niet alleen bij de vinders een gevoel van opwinding; tegenwoordig bemoeien de media er zich al gauw mee, waardoor het nieuws zich snel verspreidt.

Vroeger ging dat eigenlijk net zo. In kronieken uit de dertiende eeuw komen we al berichten van spectaculaire vondsten tegen. Helaas zijn de gegevens over zo een oude vondst vaak weinigzeggend. Meestal blijft het bij opmerkingen als: "oude gouden munten" of iets dergelijks, waardoor er niet op te maken valt wat er precies gevonden werd. Oude vondsten hebben ook bijna nooit hun sporen nagelaten. In het gunstigste geval is een aantal bijzondere munten bewaard gebleven, maar de meeste exemplaren zullen wel vroeg of laat versmolten zijn, omdat men de goud- of zilverwaarde belangrijker vond. Alleen enkele rijke verzamelaars van curiosa zoals vorsten en grote kooplieden konden het zich veroorloven om een paar oude munten op te kopen en apart te leggen.

Bij het bergen van de grote goudvondst van 1808 stuks in Doesburg, begraven rond 1550 en weer naar bovengekomen in 1707, werden de burgemeesters en schepenen in de gelegenheid gesteld om enkele exemplaren uit te zoeken tegen betaling van de goudwaarde. De rest werd verkocht en omgesmolten, omdat het om stukken ging die niet meer in de roulatie voorkwamen. Het is goed om zich te realiseren dat al onze openbare en particuliere muntverzamelingen bijna geheel opgebouwd zijn uit munten die onlangs of lang geleden op deze wijze uit muntvondsten afkomstig zijn.

Tegenwoordig komt omsmelten bijna niet meer voor, omdat de verzamelwaarde van oude munten meestal veel hoger ligt dan de metaalwaarde.

Vanaf de 16e eeuw, toen het aantal verzamelaars voorzichtig begon te groeien, worden de gegevens over muntvondsten iets uitvoeriger. In de "Beschrijvinghe van alle de Nederlanden" door Luigi Guicciardini, in het Nederlands verschenen in 1612, is een uitvoerige beschrijving opgenomen van de resten van een Romeinse vesting, bekend onder de naam "Huis te Britten" of de Brittenburg bij Katwijk aan Zee die in 1552 weer onder het zand vandaan kwamen. Bij de afbeelding van de plattegrond werden ook enkele munten en andere gevonden voorwerpen afgebeeld.

Een deel van de munten werd door de numismaat Goltzius onderzocht en onder andere toegeschreven aan keizer Septimius Severus (193-211).

In de 17e en 18e eeuw nam dit soort publicaties toe, maar een systematische beschrijving bleef tot in de negentiende eeuw afwezig. Muntvondsten werden voornamelijk beschouwd als welkome bron voor het uitbreiden van verzamelingen.

In de 19e eeuw nam het aantal muntvondsten sterk toe, omdat door de oplevende economie veel grondwerk verzet werd voor de aanleg van kanalen, spoorwegen, het slechten van de oude stadswallen en nieuwe stadsuitbreidingen. Het Koninklijk Penningkabinet (KPK) in Nederland en het Penningkabinet van de Koninklijke Bibliotheek Albert I in België hebben in deze periode een begin gemaakt met de wetenschappelijke beschrijving van deze vondsten.

Manier van vinden

Een muntvondst kan opzettelijk of per toeval aan het licht komen. Tot de eerste categorie behoren de munten die bij een archeologische opgraving naar boven komen.

Er wordt dan bewust naar munten en andere waardevolle voorwerpen gezocht. Dit mag alleen door officiële instanties gedaan worden. Het zoeken met een metaaldetector behoort echter ook tot het opzettelijk zoeken. In de monumentenwet is een bepaling opgenomen dat het verboden is om graafwerk te verrichten dat ten doel heeft munten en andere waardevolle voorwerpen op te sporen.

Veel mensen die met een detector lopen te zoeken denken daarom dat het gevaarlijk en onverstandig is om hun vondsten bij de Nationale Numismatische Collectie (NNC) Numis aan te melden. De NNC heeft zich tot geheimhouding verplicht en geeft geen informaties aan justitie door. Dit betekent niet dat de wetsovertreding "kwijtgescholden" wordt door deze aanmelding.

De NNC en het Penningkabinet in Brussel zijn echter wetenschappelijke instellingen waar het belang van het onderzoek van de vondst vóór gaat. Men realiseert zich daar heel goed dat er geen enkele vondst meer aangemeld zou worden als men op zou treden als verlengstuk van de justitie. De overheid respecteert deze houding.

Soorten vondsten

Een vondst kan bestaan uit een losse munt, een zogenaamde vondstmunt, of uit een een aantal bijeenhorende munten die gezamenlijk ontdekt zijn. Deze worden meestal aangeduid met de termen vondstcomplex als het om verspreide munten gaat die toch bij elkaar horen, omdat ze in hetzelfde gebied zijn gevonden en met schatvondst als de munten samen gevonden worden bijvoorbeeld in een pot of beurs.

Een losse munt is bijna altijd toevallig verloren. Meestal gaat het hier om klein geld waarvan de waarde zo klein is dat de eigenaar zelfs geen moeite deed om er achteraan te gaan toe het wegrolde. Zo worden er jaarlijks duizenden centen, duiten en ander klein geld met behulp van detectoren of op een ander manier gevonden. De waarde is meestal gering en het heeft weinig zin om dit aan te melden. Iets anders wordt het als het om oudere muntjes gaat. De kleinste zilveren en koperen muntjes uit de Middeleeuwen werden vroeger vanwege hun geringe waarde nooit opgenomen in een spaarpot en daarom zijn ze tegenwoordig zeer zeldzaam. Met behulp van detectoren zijn er juist de laatste jaren totaal onbekende typen naar boven gekomen met een zeer grote wetenschappelijke waarde. Soms werden er ook grotere gouden of zilveren munten verloren. Ondanks het gebrek aan samenhang met andere munten heeft de registratie van zo'n losse vondstmunt wel degelijk belang, omdat het om een soort kan gaan die meestal bewust niet opgenomen werd in een muntschat of, omdat het stuk op zichzelf al betekenis heeft door zeldzaamheid of hoge waarde.

Muntschatten werden niet alleen in tijden van onrust of oorlog begraven. Tot het begin van de vorige eeuw was begraven de beste manier om geld brandveilig en inbraakvrij op te bergen, omdat spaarbanken niet bestonden en bankkluizen weinig gebruikt werden. Het geld was echter alleen inbraakvrij als niemand wist waar het begraven lag en dat was juist het zwakke punt van het systeem. Soms wist de eigenaar niet meer precies waar hij al zijn geld begraven had of hij overleed voordat hij het aan zijn erfgenamen kon meedelen.

Schatvondsten kunnen onderverdeeld worden in bewust verborgen en toevallig verloren geld. De belangrijkste vormen van bewust verstopte muntschatten zijn de omloopschat en de spaarschat.

De omloopschat vertoont overeenkomsten met de losse vondstmunten. De eigenaar heeft zijn bezit in tijden van nood bij elkaar gepakt en in zijn geheel aan de grond toevertrouwd zonder enige selectie toe te passen. Een omloopschat is dus altijd een afspiegeling van de geldcirculatie op het moment van begraven.

Een spaarschat is soms in de loop van jaren opgebouwd. Hier geldt dus niet zoals bij de omloopschat dat alle munten te zamen gecirculeerd moeten hebben. Een ander verschil is dat de eigenaar van een spaarschat een bepaalde selectie heeft toegepast.

Dit kan zich uiten in een voorkeur voor bepaalde munttypen van een hoge reputatie en in het zoeken naar mooie ongesleten stukken. De laagste waarden komen bijna nooit in een spaarschat voor, omdat de intrinsieke waarde van het klein geld meestal veel lager was dan de nominale waarde en vanzelfsprekend stond bij de vorming van de spaarschat de metaalwaarde van de munten voorop. Waren de munten op zich niet meer bruikbaar, dan konden ze later altijd nog omgesmolten worden.

De interpretatie van een muntschat moet met de nodige voorzichtigheid geschieden, omdat er ook sprake kan zijn van een combinatie van beide vormen: het is heel goed mogelijk dat iemand snel zijn kasvoorraad verstopt heeft op dezelfde plaats als zijn oudere spaarschat.

Tot de toevallig verloren schatten kunnen we de verloren beurs rekenen en het scheepswrak. De beursinhoud is vooral interessant, omdat er klein geld in kan zitten dat normaal niet voor schatvorming gebruikt werd.

Muntschatten uit scheepswrakken zijn de laatste jaren veelvuldig in het nieuws geweest.

Een van de laatste schatten werd vlak bij Vlissingen geborgen in 1983 uit het wrak van het VOC-schip "'t Vliegent Hart" dat in 1735 was vergaan. Uit een geldkist kwamen ruim 2000 gouden dukaten en honderden grote zilverstukken. De dukaten waren alle in Dordrecht geslagen in 1729. Deze homogene partij gouden munten vormde een uitstekende bron voor numismatisch onderzoek.

Een aparte groep zijn de accumulatieschatten. Hiermee wordt een groep munten bedoeld die wel bij elkaar gevonden wordt, maar die niet in een keer verborgen of verloren werd. Voorbeelden hiervan zijn munten die in de loop van de jaren in een beerput of op een vuilnishoop zijn terechtgekomen. In Duitsland heeft men in de laatste jaren bij kerkrestauratie veel munten onder de vloeren gevonden. Deze muntjes zijn waarschijnlijk vlak voor de collecte tevoorschijn gehaald en per ongeluk tussen de kieren van de houten vloer of in het zand terecht gekomen. Deze laatste schatten bestaan overigens voor het grootste deel uit klein geld.

Wettelijke bepalingen

a. Nederland

De eigendom van muntvondsten en de meldingsplicht zijn vastgelegd in een aantal artikelen van het Burgerlijk Wetboek en van de Monumentenwet. Een muntvondst wordt hierin een "schat" genoemd: "een schat is een zaak van waarde, die zolang verborgen is geweest, dat daardoor de eigenaar niet meer kan worden opgespoord".

Het is dus belangrijk dat niemand kan bewijzen dat hij eigenaar van de gevonden munten is. De eigendom is als volgt geregeld (art. 5.2.9 nieuwe BW): "Een schat komt voor gelijke delen toe aan degene die hem ontdekt en aan de eigenaar van de onroerende of roerende zaak, waarin de schat wordt aangetroffen". Dit betekent dus dat de vinder altijd recht heeft op de helft van de muntvondst. De overheid heeft niets met de vondst te maken, tenzij de vondst natuurlijk gedaan is in grond die in handen is van gemeente, provincie, waterschappen en dergelijke of van het rijk. In dat geval kan de overheid alleen aanspraak maken op de helft, net als elke andere eigenaar van de "zaak", waarin de munten gevonden zijn. Omdat het bewuste artikel ook de "roerende zaak" noemt, zullen bijvoorbeeld munten die afkomstig zijn uit een hoop zand uit een zandwinning altijd voor de helft toebehoren aan de eigenaar van die hoop zand. Het zal duidelijk zijn dat men de vondst alleen dan in zijn geheel mag houden als die op eigen terrein gevonden wordt. Toch mag nu niet iedereen in zijn tuin gaan graven, want in de Monumentenwet staat onder meer (art. 22): "Lid 1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid is het verboden graafwerk te verrichten, dat ten doel heeft het opsporen of onderzoeken van monumenten".

(Volgens de Monumentenwet is een monument onder andere:) "alle voor tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken, welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun volkskundige waarde".

Alleen bepaalde archeologische instellingen hebben van de minister van WVC vergunning tot graafwerk.

Men mag dus wel in de tuin spitten tijdens het tuinieren of voor de aanleg van leidingen en dergelijke, maar er mag niet direct naar "monumenten" gezocht worden.

Overigens staat er niet dat er niet met een metaaldetector gelopen mag worden. U mag alleen niet graven.

Munten ouder dan 50 jaar vallen in ieder geval onder de monumenten met "betekenis voor de wetenschap", omdat uit de vondst informatie te verkrijgen is over het gebruik van geld in vroeger eeuwen. Deze informatie wordt pas waardevol als de gehele vondst gemeld wordt.

De meldingsplicht is vastgelegd in artikel 24 van de Monumentenwet:

Lid 1. Hij die bij graafwerk, anders dan bedoeld in artikel 22, eerste lid, een voorwerp vindt, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het een monument is, is verplicht hiervan binnen drie dagen aan de burgemeester van de gemeente, waarbinnen de vondst is gedaan, mededeling te doen.

Lid2. De burgemeester geeft van deze mededeling onverwijld kennis aan de directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek." Als de vinder zijn vondst direct meldt aan het Koninklijk Penningkabinet (KPK) te 's-Gravenhage, voldoet men officieel weliswaar niet aan de wet, maar het KPK zal dan graag alle formaliteiten regelen. Overigens meldt de directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) op zijn beurt weer de vondst aan het KPK, zodat de melding er op die manier langs een omweg toch terechtkomt.

Het KPK determineert de gevonden munten en geeft adviezen over reinigen, bewaren en eventueel manieren om de vondst te verkopen. Het KPK reinigt ook zelf munten, maar dit gebeurt alleen als dat nodig is voor de determinatie.

b. België Centraal staan hier de artikelen 552 en 716 van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 552. De eigendom van de grond bevat in zich de eigendom van hetgeen op en onder de grond is.... Onder de grond mag hij naar goeddunken bouwen en graven en uit die gravingen alle voortbrengsels halen die zij kunnen opleveren, behoudens de beperkingen voortvloeiende uit de wetten en verordeningen betreffende de mijnen en uit de wetten en verordeningen van politie.

Art. 716. De eigendom van een schat behoort aan wie hem in zijn eigen werf vindt; wordt de schat ineens anders erf gevonden, dan behoort hij voor de ene helft toe aan de vinder en voor de andere helft aan de eigenaar van het erf.

Een schat is iedere verborgen of bedolven zaak waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen en die door louter toeval ontdekt wordt. De nu volgende interpretatie is ontleend aan de publicatie van H. Vanhoudt in het jaarboek 1984 van het Europees Genootschap voor Munt- en Penningkunde.

In tegenstelling tot de Nederlandse wetgeving mag de Belgische eigenaar wel graven en zoeken naar schatten. Er zijn echter wel een aantal lokale politieverordeningen die dat verbieden. In Wallonië is het zoeken met metaaldetectoren naar archeologische voorwerpen en schatten verboden volgens het decreet van het Ministerie van de Franse Gemeenschap van 1 juli 1982. Voor Vlaanderen geldt deze bepaling niet.

Ook afwijkend van de Nederlandse wetgeving zijn de bepalingen inzake vondsten die gedaan worden tijdens het uitvoeren van werken voor rekening van de overheid, geregeld bij het ministerieel besluit van 14 oktober 1964: "iedere vondst van enig belang tijdens het graaf- of slopingswerk, wordt op staande voet ter kennis van het bestuur gebracht.... De kunstvoorwerpen en voorwerpen van oudheidkunde, natuurlijke historie, munt- en penningkunde of andere, die een wetenschappelijke waarde hebben, evenals de zeldzame of kostbare voorwerpen, die bij het graaf- en slopingswerk worden gevonden, zijn eigendom van het bestuur en worden ter beschikking van de leidende ambtenaar of van de gemachtigde van het bestuur gehouden.... In geval van betwisting doet het bestuur oppermachtig uitspraak inzake de hierboven vastgestelde regelen." Als echter een particulier iemand opdracht geeft om in zijn eigen grond te gaan zoeken, wordt alles wat gevonden wordt automatisch eigendom van de eigenaar van de grond, omdat de vinder dan voor rekening van de eigenaar handelt.

Bovendien kan er nu geen sprake zijn van een schat, omdat een schat volgens art. 716 BW alleen die goederen zijn die door toeval ontdekt worden.

c. Luxemburg In Luxemburg gelden globaal dezelfde wetten en besluiten als in België. Er bestaan echter geen speciale bepalingen betreffende metaaldetectoren.

Papiergeldvondsten Papiergeldvondsten komen veel minder voor. De meest opvallende zijn die van 1908-1909 toen een Russische expeditie bij de opgraving van de ruïnes van Chara-choto in het uiterste noorden van China een grote hoeveelheid biljetten uit de 13e eeuw aantrof.

Lit.:

Bar, M., Monnaies grecques et assimilées trouvées en Belgique, Brussel 1991;

Gelder, H.E. van, en J.S. Boersma, Munten in muntvondsten, Bussum 1967;

Gesink, G., Succesvol schatzoeken, Utrecht 1985;

Henke, K., Anmerkungen zur chinesischen Papiergeldgeschichte, Geldgeschichtliche Nachrichten (1988) 211-213;

Jacobi, H.W., en J.P.A. van der Vin, Muntvondsten in Nederland, 's-Gravenhage (z.j.);

Keymeulen, A. van, Les trésors monétaires trouvés en Belgique (1434-1970), Brussel 1973;

Pol, A., Muntvondsten uit 19 eeuwen, 's Gravenhage 1984;

idem, De schat van het Vliegend Hert, Leiden 1993;

idem, Münzfunde und Fundmünzen der Jahrtausendwende in den Niederlanden, in: Kluge, B., Fernhandel und Geldwirtschaft, Sigmaringen 1993;

Thirion, M., Les trésors monétaires gaulois et romains trouvés en Belgique, Brussel 1967;

Vin, J.P.A. van der, Die Fundmünzen der Römischen Zeit in den Niederlanden, Provinz Friesland, Berlijn 1992;

Weilier, R., La circulation monetaire et les trouvailles numismatiques du moyen age et des temps modernes au pays de Luxembourg, deel 1, Luxemburg 1975, deel 2, Louvain-la- Neuve 1989. Lopende seriewerken Akademie der Wissenschhaften und der Literatur, Die Fundmünzen der Rómischen Zeit in Deutschland (serie FMRD), Berlijn;

Bland, R. (ed.), Coin hoards from Roman Britain series, London; Loriot, X., en D. Nony (ed.), Corpus des Trésors monétaires antiques de la France, Parijs 1982- ;


  • Muntvondst vliegend hert.jpg
  • Muntvondste zutphen.jpg