Ga naar: navigatie, zoeken

Indonesië

Indonesië, republiek in Zuidoost- Azië, omvat het gehele gebied van het voormalige Nederlandsch-Indië. Het gebied werd voorjaar 1942 door de Japanners bezet. Na hun vertrek proclameerden de leiders Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de Republik Indonesia.

O.a. door enkele politiële acties in de jaren 1947-'49 probeerde Nederland zijn gezag te herstellen, maar op 27 december 1949 droeg het onder Amerikaanse druk de soevereiniteit over met uitzondering van Nieuw-Guinea, dat eerst in 1963 aan de Republiek werd overgedragen.

In 1976 werd Oost-Timor ingelijfd.

De Japanners gaven drie typen papiergeld uit: 1-, 5- en 10-cents en ½ -, 1-, 5- en 10-guldenbiljetten met de tekst DE JAPANSCHE REGEERING, vervolgens 100- en 1000-rupiahbiljetten met PEMERINTAH DAI NIPPON (= Japanse regering) en tenslotte op naam van de door de Japanners geïnstalleerde regering ½ -, 1-, 5-, 10- en 100-rupiahbiljetten met de opdruk DAI NIPPON TEIKOKU SEIHU (= regering van Groot-Japan).

Op alle biljetten staat de letter S voor het serienummer.

De Nederlandse regering liet gedurende de oorlog in de Verenigde Staten volgens Nederlands type in 1943 te Denver rijksdaalders en guldens slaan met de bedoeling deze na de oorlog in Nederlandsch- Indië in omloop te brengen, hetgeen ook inderdaad is gebeurd.

Voor ditzelfde doel werden volgens Nederlandsch-Indisch type geslagen te Philadelphia ¼ gulden 1941, 1/10 gulden 1941 en 1945, 2 ½ cent 1945,1 cent 1942 en 1945 en ½ cent 1945, te Denver 1 cent 1945 en te San Francisco ¼ gulden 1941,1942 en 1945, 1/10 gulden 1941, 1942 en 1945 en 1 cent 1945. De munten zijn te herkennen aan de munttekens P, D en S.

Indonesië gaf in 1945 papiergeld uit, aanvankelijk in de waarden 1, 5 en 10 sen, ½, 1, 5, 10 en 100 rupiah, later ook in vele andere waarden tot aan 400 rupiah.

Het Nederlands bewind liet de Javasche Bank in 1946 biljetten uitgeven in de waarden ½, 1, 2 ½, 5, 10, 25, 50, 100, 500 en 1000 gulden met het portret van koningin Wilhelmina.

In 1947/'48 werden als gevolg van de enorme inflatie veel noodgeldbiljetten, veelal voor lokaal gebruik, in circulatie gebracht, in waarde oplopend tot enkele miljoenen rupiah.

In 1950 volgde een munthervorming, waarbij de jonge republiek orde op zaken trachtte te stellen.

Alle gewone biljetten boven 5 rupiah werden gehalveerd, de linkerhelften golden 50% van de oorspronkelijke waarde en werden tegen nieuwe biljetten omgewisseld, de rechterhelften golden eveneens tegen 50% van de nominale waarde als aandeel in een staatslening.

De Bank Indonesia werd de nieuwe emissiebank. Zij gaf bankbiljetten uit in de waarden 5, 10, 25, 50, 100, 500 en 1000 rupiah, terwijl van regeringswege biljetten van 1 en 2 1/2 rupiah in omloop werden gebracht.

Voorts werd in 1951 begonnen met de opbouw van een muntenreeks in sen-waarden, waarvan meerdere jaargangen te Utrecht werden vervaardigd. Na 1961 zijn als gevolg van de inflatie geen senmunten meer geslagen.

In 1964 werden de 1- en 2½-rupiahbiljetten niet meer van staatswege, maar door de Bank Indonesia uitgegeven, die bovendien biljetten van 5000 en 10.000 rupiah aan haar reeks toevoegde.

Vanaf 1970 is de muntenreeks opgebouwd uit stukken van 1, 2, 5, 10, 25, 50 en 100 rupiah. Hogere waarden in zilver en goud tot 100.000 rupiah zijn verzamelaarsmunten. De Indonesische regering en de Bank Indonesia hebben voor lokaal gebruik munten en papiergeld uitgegeven in de Riau-archipel (15 okt. 1963-1 juli 1964) en in West-Irian (1964-31 dec. 1971), het voormalige Ned. Nieuw-Guinea/Irian Jaya, Irian Barat.

Op de eilanden Sumatra en Celebes was omstreeks 1957 verzet ontstaan tegen het economisch beleid van de centrale overheid. Dit verzet werd in 1961 de kop ingedrukt. De afscheidingsbeweging Pemerintah Revolusioner (= revolutionaire regering) voorzag 1957-1959 biljetten van de Bank Indonesia (10, 25, 50, 100, 500 en 1000 rupiah) van een stempel en liet op eigen naam biljetten van 500 en 5000 rupiah drukken.

De biljetten hadden eerder een propagandistisch en fondsverwervend karakter dan dat zij voor de circulatie bestemd waren.

De munteenheid rupiah, ISO 4217-code IDR, is nog steeds onderverdeeld in 100 sen, maar de laatste munten in sen zijn geslagen in 1961. Ook de laagste waarden in rupiah verdwenen uit de circulatie. In de 21e eeuw werd de 50 rupiahmunt voor het laatst geslagen in 2002 en de 100 en 200 rupiah in 2008.

W.


  • Indonesië, 100 rupiah, 1973, koper-nikkel.
  • Indonesie 50000 roepiah 1945.jpg
  • Indonesie 5 rupiah 1970.jpg
  • Indonesië, biljet van 1 rupiah, 17 oktober 1945, papier, 13,9 x 6,5 cm.
  • Nederlandsch-Indië, De Javasche bank, gehalveerd biljet van 10 gulden, 1946, papier, 79 x 75 mm, gehalveerd.
  • Indonesië, 50 sen, 1962, aluminium, met het portret van Sukarno.