Ga naar: navigatie, zoeken

Schild: verschil tussen versies

k (1 versie geïmporteerd)
(geen verschil)

Versie van 5 feb 2017 om 22:22

schild,

1. belangrijkste verdedigingswapen van een krijgsman, waarop veelal herkenningssymbolen van de drager of een groep van dragers waren afgebeeld. Reeds lang voor het ontstaan van de middeleeuwse heraldiek werden in de Oudheid dergelijke schilden met symbolen op munten afgebeeld, zoals op de Griekse munten van Thebe.

In de heraldiek geldt het schild als belangrijkste bestanddeel van het wapen. Als zodanig veroverde het als personifiëring van de vorst of diens rijk sinds de 13e eeuw een plaats op de munten, hetgeen een muntnaam als gouden schild verklaart.

2. muntsoort, waarvan de belangrijkste het gouden schild is. Dit schild, of zetelaar, Fr. écu d'or (a la chaise); een gouden Franse munt, ingevoerd in 1337 door Philips VI met een goudgewicht van 4,532 g fijn en een koers van 1 pond tournois. Op de vz de zittende gekroonde vorst, in zijn rechterhand een zwaard houdend en met zijn linkerhand het Franse wapenschild (écu) bezaaid met lelies, het geheel binnen een veelpas en een omschrift met vorstennaam en -titel. Op kz een gebloemd kruis binnen een vierpas, versierd en gekantonneerd met bladeren, het geheel binnen de spreuk XPC (Christus) VINCIT, XPC REGNAT, XPC IMPERAT.

Dit was het oudste goudstuk dat in grote aantallen in de Nederlanden circuleerde en daar veelvuldig werd nagevolgd door vrijwel alle vorsten. In 1338 in Vlaanderen op naam van Lodewijk van Crécy, geslagen te Gent met een goudinhoud van 4,391 g fijn door diens muntmeester Falcon da Lampaggio di Pistoia. Zijn opvolger Lodewijk van Male (13461384) liet ook halve en kwart schilden slaan.

Falcon da Lampaggio verliet in de loop van 1338 echter de Munt van Gent en sloeg in oktober van dat jaar schilden in de Brabantse munt te Antwerpen op naam van keizer Lodewijk de Beier in opdracht van Jan III van Brabant, mogelijk gezamenlijk met zijn bondgenoot Eduard III van Engeland die als vicarius imperii evenals Jan III het recht had verkregen op naam van de keizer te munten; keizerschild. In 1343 muntte Falcon da Lampaggio schilden op naam van Jan III van Brabant, zgn. falconschild of Antwerps schild van 4,5325 g à 0,96875 (23¼ karaat) = 4,3909 g fijn, en nadat Eduard III zich in 1340 tot koning van Frankrijk had uitgeroepen liet deze in Aquitanië schilden op eigen naam en titel slaan in een nog niet getraceerd jaar en atelier.

In Holland (Holland, graafschap) werd het gouden schild ingevoerd in 1354 door Willem V met een gewicht van 4,5325 g en een goudinhoud van 4,3909 g fijn en een koers van 24 groot Hollands en volgens het type van het keizerschild met een dubbele adelaar in het wapenschild. Later volgde een emissie volgens een eigen Hollands type met het gevierendeeld Beiers-Hollands wapen (Beierse huis), het zgn. oude schild met een koers van 36 groot, waarschijnlijk in 1378 gevolgd door een lichter schild dat in 1388 werd vervangen door het zgn. Dordrechtse schild met een goudinhoud van 3,994 g fijn en een koers van 40 groot, ook wel wilhelmusschild of paedzenschild genoemd naar resp. muntheer Willem V en muntmeester Willem Paedze.

Tijdens hertog Albrecht daalde de goudinhoud onder handhaving van de koers van 40 groot tot 3,67 g fijn of zelfs minder, zoals bij het in Geertruidenberg geslagen Bergse schild van 1392. Van afwijkend type is zijn schild uit 1393, het "Hollantsce schild mitten twee leeuwen die Heynderick Adelyen maecte" (zgn. schild met de roos of adeleyenschild) op het herstelde gewicht van 3,994 g fijn.

Latere aanmuntingen van het Hollandse schild noemt men gewoonlijk klinkaart. Tijdens de regering van Willem VI (1404-1417) zijn er te Dordrecht ook dubbele, halve en een derde schilden geslagen. De klinkaart van Willem VI uit 1411 van 3,765 g had een goudinhoud van 2,85 g fijn. Tijdens Jan van Beieren daalde de goudinhoud in 1421 tot 2,55 g fijn (zgn. johannesschild) en Philips de Goede handhaafde dit gewicht in 1425 voor zijn Bourgondische schild dat aanvankelijk in Dordrecht werd gemunt en sinds 1428 te Zevenbergen (Bourgondische huis).

In Namen (sinds 1426) en Gent (sinds 1428) vonden hiervan min of meer clandestiene aanmuntingen plaats, philippus van Namen. De philippusklinkaart van 1429 op naam van Philips de Goede en Jacoba van Beieren bevatte nog slechts 2,342 g fijn. Deze latere schilden bleven tot in de 16e eeuw in omloop.

Het gouden schild werd veelvuldig geïmiteerd, o.a. in Gelre (Willem I 1377-1402, Gelderland, landsheerlijke periode), Utrecht (Floris van Wevelinkhoven 1379-1393), Rummen (Jan van Wezemaal 14151416), Luik (Jan van Beieren 1389-1418 en Jan van Heinsberg 1419-1455), Luxemburg (Jan de Blinde 1309-1346), Ligny en Saint Pol (Walram III van Luxemburg 1371-1415). Door zijn algemene en wijde verbreiding vervulde het gouden schild in de 14e eeuw de functie van internationale omrekenfactor met behulp waarvan lokale munten werden getarifeerd. Als rekeneenheid gold het schild in de 14e eeuw meestal 24 groot (12 plak), sinds de 2e helft van de 15e eeuw 1½ gulden of 30 stuiver.


G.