Ga naar: navigatie, zoeken

Zuid-Afrika

Zuid-Afrika, republiek in het zuiden van Afrika, voortgekomen uit een verversingspost die in 1652 door de Nederlandse Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) aan de Kaap de Goede Hoop werd gesticht en tot 1795 eigendom van de VOC bleef. Gedurende die periode werd het gebied bestuurd door commandeurs, gouverneurs en commissionarissen van wie Jan van Riebeeck (1652-1662) de bekendste is. In 1795 werd de Kaapprovincie door de Engelsen bezet. In 1803 kwam zij op grond van de Vrede van Amiens onder het gezag van de Bataafse Republiek, maar in 1806 veroverde Groot-Brittannië de Kaapprovincie weer en kreeg haar in 1814 blijvend in bezit.

Ontevredenheid over het Britse beleid brachten de Boeren, zgn. Vrijburgers in de Kaap, tot de Grote Trek (sedert 1835), waarbij zij zich buiten de Britse jurisdictie vestigden in het gebied ten noorden van de Oranje Rivier, ten oosten en ten westen van de Drakens Berge. Hier stichtten zij de republiek Natalia. In 1842 veroverden de Britten de streek ten oosten van de Drakens Berge (Natal) en in 1846 annexeerden zij de streek ten zuiden van de rivier de Vaal onder de naam Oranjerivier-Souvereiniteit. De strijd tussen de Boeren en de Britten resulteerde in 1852 tot de erkenning door de Britse regering van de Zuid-Afrikaansche Republiek (= Transvaal) en twee jaar later ook van Oranjerivier-Souvereiniteit. Zo ontstonden naast de bestaande Britse kolonies Natal en Kaapkolonie twee republieken, Transvaal en Oranje-Vrijstaat, waarvan de onafhankelijkheid in een tweetal traktaten door Groot-Brittannië werd gewaarborgd.

Toen echter rijke goud- en diamantvelden in de republieken werden ontdekt, verbraken de begerige Britten de traktaten en annexeerden ze de goud- en diamantvelden. Verzet van de Boeren leidde tot een tweetal vrijheidsoorlogen (1871-1881 en 1899-1902), waarin het verzet van de Boeren gebroken werd, waarna de republieken Britse kolonies werden. In 1910 verenigden de vier zelfregerende Britse kolonies zich in één zelfregerende staat, bekend als de Unie van Zuid-Afrika. In 1961 werd de onafhankelijke Republiek van Zuid-Afrika geproclameerd.

Wat betreft het muntgeld was men in de Kaapprovincie grotendeels afhankelijk van wat de schepen uit patria (= het vaderland) meebrachten. Tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) stagneerde de aanvoer, waardoor er een gebrek aan muntgeld ontstond. De gouverneur van Kaapstad was daarom in 1782 genoodzaakt met de hand geschreven en gestempelde papieren rijksdaalders en stuivers in circulatie te brengen; Kaap de Goede Hoop, Kaapse munten. Zodra voldoende muntgeld voorradig zou zijn, zou het papiergeld weer ingetrokken worden, maar in plaats daarvan volgde de uitgifte van nieuwe emissies.

Toen de Engelsen in 1795 de Kaapprovincie bezetten, was voor een bedrag van 1¼ miljoen rijksdaalder aan papiergeld in omloop. Hernieuwde papiergelduitgiftes hadden een inflatoire uitwerking. In 1803 werd op gezag van de Bataafse Republiek opnieuw papiergeld uitgegeven dat op karton gedrukt was. Het oude handgeschreven geld werd ingetrokken. De Britten, die in 1806 de Kaapprovincie opnieuw bezetten, brachten nog meer papiergeld in omloop, aanvankelijk nog op naam van de Bataafse Republiek, vanaf 1810 op eigen naam. Ook na 1814 bleven deze biljetten in omloop en werden ze regelmatig vervangen. Om vervalsingen tegen te gaan werden steeds veranderingen aangebracht in beeldenaar, papiersoort en afmeting. In 1831 werden alle rijksdaalderbiljetten ingetrokken en vervangen door promissory notes van 1, 5, 10, 20, 50 en 100 pond (pond sterling), waarvan de in circulatie gebrachte hoeveelheid gestadig kon worden verminderd totdat zij in 1852 geheel uit het betalingsverkeer waren verdwenen.

In maart 1793 was door de VOC de eerste bank, de Lombard (= lommerd) Bank, gesticht, die tot de sluiting in 1843 alleen van staatswege gedrukt papiergeld in omloop had gebracht. De eerste particuliere bank was de Cape of Good Hope Bank (1825, hernieuwd opgericht 1837). Van de talrijke (42) in het verdere verloop van de 19e eeuw gestichte banken waren er aan het einde van die eeuw nog zes over. De Bankwet van 1891 schreef voor alle banken voor in welke denominaties zij bankbiljetten mochten uitgeven (1, 5, 10, 20 pond). Deze biljetten verschilden alleen van elkaar door de waarde en de naam van de uitgevende bankinstelling.

Ook in Oost-Griqualand (1867) en in Natal (vanaf 1849) waren bankbiljetten uitgegeven. In de onafhankelijke Oranje-Vrijstaat circuleerden door banken uitgegeven biljetten naast papiergeld dat van staatswege in omloop was gebracht. Het laatste werd vanwege de blauwe papiersoort "blue-backs" genoemd. Het werd in 1883 ingetrokken. Oranje-Vrijstaat is ook nog van plan geweest eigen munten uit te geven, maar men is niet verder gekomen dan het ontwerpstadium.

Het eerste geld van Transvaal bestond uit 5- en 10-rijksdaalerbiljetten van 1865, die 6% rentedragend waren. Daarna volgden talrijke niet-rentedragende papiergeldemissies. Vanaf 1873 mochten slechts biljetten van particuliere bankinstellingen circuleren. Transvaal, de Zuid Afrikaansche Republiek, kwam wel tot de uitgifte van eigen munten. In 1874 werden gouden pondstukken met de beeltenis van president Burgers geslagen die thans uiterst zeldzaam zijn. Tussen 1892 en 1900 werd onder president Paul Kruger naar Engels systeem een complete muntenreeks in omloop gebracht. Op alle denominaties staat op de vz Krugers borstbeeld, evenwel zonder zijn naam en op de stukken van 1 en ½ pond, 5 shilling en 1 penny vergezeld van het omschrift ZUID AFRIK(AANSCHE) REPUBLIEK. Opmerkelijk is, dat de waardeaanduidingen shilling en penny in het Engels zijn gesteld en niet, zoals de landsaanduiding en de naam pond, in het Nederlands.

Tijdens de Tweede Boerenoorlog gaf de Zuid Afrikaansche Republiek drie emissies papiergeld uit. De eerste, die 6% rentedragend was, werd in 1900 te Pretoria uitgegeven, de tweede in 1901 te Pietersburg en de derde emissie werd in 1902 te Pelgrims Rest door de Staatsdrukkerij "te Velde" in omloop gebracht. De eerste twee emissies bestonden uit biljetten van 1,5, 10, 20, 50 en 100 pond, de derde uit biljetten van 1, 5 en 10 pond.

De Engelsen weigerden later deze biljetten om te wisselen. Uit de oorlogsperiode stammen ook talrijke nood- en belegeringsuitgiftes, waarvan de bekendste die van Mafeking zijn, die onder overste R.S.S. Baden Powell werden uitgegeven. Ander noodgeld kennen we uit Koffyfontein, uit de krijgsgevangenenkampen te Green Point en Simonstown, in de vorm van postzegelgeld van Bulawayo en het zgn. hemdenstofgeld (shirt money) voor de betaling van de troepen bij Uprising. De Zuid Afrikaansche Republiek gaf in 1902 een gouden veldpond uit.

Na de stichting van de Unie in 1910 waren er nog zes emissiebanken overgebleven. Pas in 1920 kwam de Unie tot een gemeenschappelijke papiergelduitgifte: goudcertificaten van het Ministerie van Financiën van 1, 5, 100, 1000 en 10.000 pond. In 1921 werd een centrale emissiebank opgericht, de South African Reserve Bank. Deze bracht sinds 1921 biljetten uit van 1 shilling en 1,5, 10, 20 en 100 pond. Daarnaast bleven nog korte tijd vier particuliere banken actief, waarvan de biljetten tot 30 juni 1922 mochten circuleren (Standard Bank of South Africa, National Bank of South Africa, Netherlands Bank of South Africa, Stellenbosch District Bank).

In 1923 werd het eerste muntgeld volgens het Britse systeem in circulatie gebracht. Op alle denominaties stond op de vz het borstbeeld van George V van Engeland. Op de kz van de half crown en de florin stond het staatswapen, op de andere denominaties stonden meer originele en aansprekender afbeeldingen, zoals de personificatie van de Hoop leunend op een anker op de shilling, op de sixpence zes bundels van vier stokken (de provincies) rond een bloem, en op de bronzen penny en half-penny een zeilschip. Voorts stond op de kz de landsnaam in twee talen: SOUTH AFRICA SUID-AFRIKA. Soortgelijke stukken werden onder George VI en Elizabeth II geslagen. Een zilveren herdenkingscrown uit 1952 herinnert aan het feit, dat 300 jaar tevoren Jan van Riebeeck zijn schip in de Tafelbaai afmeerde.

Na het instellen van de Republiek in 1961 werd een decimaal stelsel ingevoerd: de rand, ISO 4217-code ZAR, onderverdeeld in 100 cents. De South African Reserve Bank bracht nieuwe biljetten uit van 1, 2, 5 en 10 rand en het Ministerie van Financiën nieuwe munten. Op beide stond de afbeelding van Jan van Riebeeck. Op de munten stonden op de kz de landsnaam in twee talen en nationale symbolen zoals de springbok op de 1 rand en 50 cents en een voortrekkerswagen op de cent. Een nieuwe reeks werd in 1965 in omloop gebracht met op de kz inlandse planten of dieren en de landsnaam in één taal, SOUTH AFRICA óf SUID-AFRIKA. Speciale uitgiftes uit 1967 en 1968 droegen de portretten van de presidenten Verwoerd en Swart.

Bij beleggers in goud vindt de Krugerrand van 1 troy ounce fijn goud (31,1035 g) gretig aftrek.

Vorsten

George V 1910-1936

George VI 1936-1952

Elizabeth II 1952-1961

W.

Lit.:

Arndt, E.H.D., Banking and currency development in South Africa (1652-1927), Kaapstad 1928;

Engelbrecht, C.L., Money in South Africa, Kaapstad 1987;

Levius, H.P., Catalogue of South African paper money since 1900, including emergency issues of the Anglo-Boer War and South West African notes, Johannesburg 1972.


  • Zuid afrika 1 rand 1978.jpg
  • Zuid afrika 5 shilling 1892.jpg
  • Zuid afrika oranje vrijstaat 1 penny 1888.jpg
  • Zuid afrika rand 1994.jpg
  • Zuid Afrika veldpond 1902.jpg